RubenVis

Ruben Vis

Opening Portugese synagoge in 1675 stond voor vrijheid van geweten

Op 10 Menachem 5435 overeenkomend met vrijdag 23 juli 1675 werd de Portugese synagoge in Amsterdam ingewijd. De toen befaamde kunstenaar Romeyn de Hooghe legde het feestelijk tafereel op een ets vast. Het misschien wel meest opvallende element ervan is de kop, de illustratie boven het tafereel waarin we het interieur van de Esnoga zien tijdens de feestelijke inwijding. Die blijkt een boodschap te bevatten aan het stadsbestuur van Amsterdam die nog niet eerder volle aandacht lijkt te hebben gehad. Een verhaal over de stedenmaagd Amsterdam en kleine lettertjes in het Latijn.

Ruben Vis, 1 september 2025

De Hooghe overleed in 1708 en was in 1675 dus aanwezig bij de inwijding, kunnen we aannemen. De oplevering van de synagoge vond plaats in een turbulente tijd. In 1672 waren de gebroeders De Witt in de Gevangenpoort door een menigte gelyncht. Stadhouder Willem III was aan het bewind en had zijn oog op het koningschap van Engeland laten vallen. Voor hem gold dat hij zelf weliswaar overtuigd protestant was, maar dat het Willem weinig uitmaakte wat iemands geloof was. Belangrijker vond hij dat dit geen politieke en economische gevolgen zou kunnen veroorzaken.

Opdrachtgever

Het gebouw van de Portugese Joden moet destijds al grote indruk hebben gemaakt. De Hooghe heeft, ongetwijfeld in opdracht van een van de welstandige Portugese Joden zoals Belmonte of De Pinto wiens huizen hij ook op etsen vastlegde, maar liefst zeven etsen gemaakt van de Portugese synagoge en nogmaals een ets ervan in 1695. De eerste vier stenen werden gelegd op 6 Ijar 5431 = 17 april 1671 door David van Isaac de Pinto, Mozes Curiel, Joseph Israel Nunes en Immanuel de Pinto. Wellicht was Mozes Curiel alias Geronimo (Hieronymus) Nunes da Costa de opdrachtgever geweest voor het vervaardigen van de serie etsen. Curiel schonk de Snoge de imposante Hechal van Braziliaans hout. Zijn huis stond aan de Nieuwe Herengracht (no. 49). Stadhouder Willem III logeerde er in 1691 drie dagen. In het eerste medaillon aan de linkerkant van de ets wordt Moseh Curiel als tweede genoemd. De eerder door De Hooghe vervaardigde serie etsen van het Tempelmodel van Juda Leon droeg hij aan Mozes Curiel op.

Symbool van vrijheidszin en verdraagzaamheid

In 1929 schreef de Joodse historicus Jac. Zwarts: “Voor Amsterdam was het gebouw een symbool van den vrijheidszin en verdraagzaamheid harer bewoners in tijden van blinde en hartstochtelijke geloofsvervolgingen en rassenhaat.” [Hoofdstukken uit de geschiedenis der Joden in Nederland, p. 118]. Voor de stelling van Zwarts blijkt de ets van De Hooghe een duidelijke onderbouwing te bevatten.

Allegorische afbeelding

Bovenin in de ets van het interieur bij de inwijding heeft De Hooghe een allegorische afbeelding gemaakt. We zien er duidelijk de Amsterdamse stedenmaagd. Een vrouw, de stad Amsterdam, met de kroon en het stadswapen waarop de drie Andreaskruisen. De vrouw naast haar vertegenwoordigt het stadsbestuur van Amsterdam. Zij heeft een band om haar lendenen met daarop diverse wapenschilden, waarschijnlijk daarmee het wereldlijk gezag aanduidend van die tijd. Vier wapenschilden zijn zichtbaar. De vier wapens op de sjerp zijn duidelijk te identificeren. Het gaat om de wapens van de families Geelvinck, Pancras, Hudde en Huydecoper, alle bekende Amsterdamse regentengeslachten. Bij de Hoge Raad van Adel weten ze dat De Hooghe het wapen Geelvinck niet helemaal correct heeft weergegeven want de vogel hoort in de kwartieren I en IV, niet II en III en voor de schuinbalk, hier abusievelijk als een ‘linkerschuinbalk’ weergegeven, geldt het omgekeerde.

College van meerdere burgemeesters

Als we de wapens relateren aan het jaar 1675 weten we ook om welke dragers van de wapens het gaat. Nicolaes Pancras was burgemeester in 1667, 1669, 1674 en 1675); Joannes Hudde was burgemeester in 1672, 1673, 1675 en later. Hij steunde de zeevaart van stadhouder Willem III in 1688 om de Engelse kroon te veroveren, de Glorieuze Revolutie. Cornelis Geelvinck was burgemeester in 1673, 1675 en later; Joan Huydecoper was burgemeester in 1673, 1675 en later. Dat ze allevier tegelijk in het jaar 1675 burgemeester van Amsterdam waren is niet vreemd. Vanaf de Middeleeuwen (13e eeuw) tot in de 19e eeuw kende Amsterdam een college van meerdere burgemeesters. Meestal waren dit vier burgemeesters die het bestuur vormden die jaarlijks werden benoemd door de vroedschap (het stadsbestuur). In bijvoorbeeld de tekst voor de regering (Hanoten Tesjoea) zoals dit in het Bima-boek van de Grote Sjoel staat, uit 1686, staat dan ook – in het Jiddisch, nog niet in het Hebreeuws, burgemeesters in meervoud: oen die edele groisachtbare herren burger mainstrieen, rat oen magistrat der stadt Amsterdam. Later, waarschijnlijk na de centralisatie is de vermelding van het lokale bestuur in de Asjkenazische gebedsdienst afgeschaft, in de Esnoga wordt deze nog steeds, in het oud-Portugees, gehanteerd. Napoleon introduceerde in 1795 een systeem met één burgemeester en zo is het ook na 1813 met de oprichting van het Koninkrijk der Nederlanden, gebleven. De vier burgemeesters waren aanwezig bij de inwijding van de Portugese synagoge, schreef de toenmalige gemeentearchivaris van Amsterdam, dr. Wilhelmina Chr. Pieterse in een artikel over de Amsterdamse magistraat en de Portugese Joden in de zeventiende eeuw (Ons Amsterdam, maart 1970).

Baard, tulband, borstschild en til-rimoniem

De stedenmaagd, Amsterdam, wijst het vrouwspersoon met de wapenschilden naar een figuur dat uit een wolk naast haar lijkt aan te zijn gekomen. Het is een man met een baard en een tulband. Op zijn borst is het schild te zien dat de hogepriester droeg in de tempel in Jeruzalem. Voor hem een geopende Torarol, in zijn hand een soort wierrookvat. Opvallend en geheel passend bij het tafereel van de inwijding is dat de Torarol, geopend, is voorzien van twee betrekkelijk kleine siertorens. Het zijn zgn. til-rimoniem. Siertorens die alleen op de Torarol worden gezet als de Torarol geopend wordt getoond. Iets wat typisch is voor de Portugees-Joodse gebedstraditie en wat De Hooghe hier dus naar de werkelijkheid ter plaatse heeft toegepast.

Voorspoed

Helemaal bovenin zien we drie kinderfiguren, putto’s, waarvan er een op een trompet blaast, de tweede een stok met een slang vasthoudt en de derde munten uit een geldbuidel uitstort. Zij symboliseren voorspoed. De trompetblazer duidt op feestelijkheid of harmonie, de stokdrager op gezondheid en de putto met de geldbuidel duidt op welvaart en rijkdom.

De stedenmaagd, Amsterdamse Bos nabij Koenenkade. Het wapenschild van Amsterdam en de kroon duidelijk zichtbaar.

Latijn

Het misschien wel meest intrigerende van het schouwspel is het motto dat er onder staat. Libertas conscientiæ incrementum reipublicæ wat kan worden vertaald als: ‘Vrijheid van geweten is de bloei van de republiek, of de groei van de staat. Jaap Meijer vertaalt het woord increntum uit het Latijn met ‘het voedsterkind’, in zijn artikel over de Portugese synagoge in 1940-1945 in zijn heruitgave van het boek van D.H. de Castro in 1950. De aansporing in de Latijnse boodschap is in welke vertaling dan ook, dat de staat profiteert van de toekenning van de vrijheid van geweten. Door de aanwezigheid van de hogepriester-figuur met borstschild en uitgerolde Tora, waar de stedenmaagd naar wijst, wordt het begrip gewetensvrijheid verruimd naar godsdienstvrijheid. Het bijschrift spreekt over Libertas conscientiæ maar de zinnebeeldige voorstelling zou Libertas religionis moeten hebben opgeleverd. Zover wilde Romeyn de Hooghe blijkbaar niet gaan, of wellicht was dit begrip nog niet zo sterk ingevoerd. Lord Jonathan Sacks, opperrabbijn van het Britse Gemenebest citeert de politiek filosoof John Plamenatz die schreef: vrijheid van geweten is ontstaan, niet uit onverschilligheid, niet uit scepsis, niet uit louter openheid van geest, maar uit geloof. [Jonathan Sacks, The persistence of faith, introduction, 2005]

Aansporing

De stedenmaagd, Amsterdam, is een allegorie die de welvaart en macht van de stad symboliseert. Het lijkt erop dat de stedenmaagd, Amsterdam, die boodschap wil geven aan de bestuurders van de stad. Een soort aansporing, kijk eens welke vrijheid de Joden hier in Amsterdam genieten om zo’n monumentaal bedehuis neer te zetten. Schenk ook elders dergelijke vrijheid zoals wij, onder leiding van de vier burgemeesters dat hier in Amsterdam doen.

Vreest geen geweetensdwang

Jaap Meijer citeert bij de heropening van de bibliotheek Ets Haim in 1947 in het Nieuw Israëlietisch Weekblad een gedicht dat hij aan Romeyn de Hooghe toeschrijft. De ets, schrijft Meijer, heeft verschillende versies. Op een versie komt dit gedicht voor.

Dits, ’t leerhuys van de Wet, ’t gebedenhuis der Jooden,
Een Bouman’s meesterstuck, de eer van ’t nieuwe werck [Elias Bouman was de architect en uitvoerder van de bouw van de synagoge]
Aen d’Amstel en het IJ; dees God gewyde kerk
Vreest geen geweetensdwang noch pijningen noch dooden
Wast eedle Judaesstam en laet u looten bloeyen [wassen = toenemen, zoals in wassende maan, wassende water]
Wat doet de kracht van ’t land als borgers aanwas groeyen

Die boodschap van vrijheid – vreest geen gewetensdwang, is ook nu, 350 jaar later, nog steeds actueel en is waar Amsterdam door de eeuwen heen beroemd om is geworden. De inwijding van de Portugese synagoge stond daarvoor op dat moment symbool.