Met hun film en boek De verdwenen stad hebben Willy Lindwer en wijlen Guus Luijters in 2024 de rol van het Amsterdamse gemeentelijk openbaar vervoer blootgelegd en gedocumenteerd. Door het inzichtelijk maken van het vervoer van Joden met gewone trams is door Willy Lindwer op de meest tastbare wijze duidelijk gemaakt dat en op welke manier de gemeentelijke Amsterdamse overheid mee heeft gewerkt aan de vervolging van haar eigen, Joodse, bevolking.
Daarmee heeft Willy Lindwer in belangrijke mate eraan bijgedragen dat van de zijde van het Amsterdamse gemeentebestuur er excuses en het geldbedrag er zijn gekomen. Ook in Rotterdam reden die trams. Ook in Rotterdam kon de Joodse bevolking worden gesegregeerd, geconcentreerd, in een gemeentelijke loods, en uiteindelijk gedeporteerd. Ook uit Rotterdam verdween de joodse bevolking uit de stad.
Ruben Vis
Geprojecteerd op Rotterdam
Ik ben een Rotterdammer zoals Willy Lindwer een Amsterdammer is. In Rotterdam ben ik opgegroeid, mijn moeder was er geboren, mijn grootouders woonden er vanaf 1929. Het onderwerp dat Willy Lindwer heeft geadresseerd voor Amsterdam is te projecteren op Rotterdam: wat is de rol geweest van het gemeentebestuur en het gemeentelijk ambtelijk apparaat als het gaat om het gedrag, het handelen en het nalaten in de Tweede Wereldoorlog jegens haar Joodse bevolking.
Anders dan in Amsterdam zijn de schuldige plekken in Rotterdam door het bombardement en door ingrijpende naoorlogse stadsvernieuwing niet meer zichtbaar in het straatbeeld. Ook de Rotterdamse Hollandse Schouwburg, Loods 24, bestaat niet meer; gesloopt. De loods lag op het terrein van de Gemeentelijke Handelsinrichtingen. De gestage verdwijning van de Joden uit het Rotterdamse leven eindigde in een gebouw van de Rotterdamse gemeentelijke overheid.

Interieur Loods 24 op het terrein van de Gemeentelijke Handelsinrichtingen, foto: Stadsarchief Rotterdam, ca. 1946-1955
Mijn grootvader is er na de oorlog nog een keer heen geweest, met zijn verdriet onder zijn arm. Zelf was hij niet via Loods 24 maar via een andere weg in Westerbork terecht gekomen. Maar de vele vrienden en kennissen voor wie Loods 24 hun laatste stop in Rotterdam was geweest, is hij daar een keer gaan herdenken. Helemaal alleen, op een troosteloos haventerrein. Mijn grootvader is overleden in 1960. Loods 24 was een opslag voor spullen, niet voor mensen. Getuige de afbeelding van het interieur was het er donker en naargeestig. De loods stond aan de voet van het zgn., nog steeds bestaande, Poortgebouw. Neergezet in 1879 door een van Rotterdams grootste industriëlen: Lodewijk Pincoffs, Joods. Dichter konden Joodse bloei en Joodse vernietiging niet bij elkaar worden bedacht.
Geen bronnenonderzoek naar de rol van de gemeente
Op 15 oktober 2025 nam burgemeester Carola Schouten het eerste exemplaar van het boek Joods Rotterdam, vervolging, ontrechting, terugkeer en rechtsherstel in ontvangst. De schrijfster, Marleen van den Berg, had gevraagd of ze het boek mocht komen aanbieden. Dat mocht en daar is het bij gebleven. Sterker, het bericht over de overhandiging was na acht weken al niet meer terug te vinden op de site van de gemeente. Het enige wat resteert is een kort bericht op de site van het stadsarchief Rotterdam. Daar en op de Facebook-pagina van de gemeente wordt doorverwezen naar de inmiddels verwijderde internetpagina op de site van de gemeente.
De gemeente Rotterdam op Facebook:
Wist je dat de geschiedenis van Joods Rotterdam nu gebundeld is in een bijzonder boek? Burgemeester Carola Schouten kreeg het allereerste exemplaar. Lees hier waarom dit zo belangrijk is: http://rotterdam.nl/burgemeester-krijgt-eerste-exemplaar…
Het stadsarchief Rotterdam op haar site
Historica Marleen van den Berg onderzocht hoe Joodse Rotterdammers de oorlog beleefden. Zij deed dat onderzoek onder andere bij het stadarchief en werd daarin ook ondersteund door de gemeente Rotterdam. Op 15 oktober nam burgermeester Schouten [het] allereerste exemplaar van Joods Rotterdam, vervolging, ontrechting, terugkeer en rechtsherstel in ontvangst op het stadhuis. Lees op rotterdam.nl (link is extern) verder over dit boek en de presentatie.
In allebei de gevallen een verwijzing naar een dode link op de gemeentelijke website.
De gemeente gaf opdracht en financierde het onderzoek dat werd uitgevoerd binnen de KNAW-regels voor onafhankelijk onderzoek. De auteur, Marleen van den Berg MA, mocht een eigen invulling kiezen en koos ervoor om haar boek vooral te baseren op persoonlijke documenten zoals dagboeken en de persoonlijke ervaringen van enkele Rotterdams-Joodse oorlogsslachtoffers. Zij heeft dit aangevuld met en omkaderd door gegevens uit andere, eerdere publicaties om zo de dagboek- en persoonlijke uitingen te duiden en ook aandacht te besteden aan het bredere kader van de geschiedenis van Joods Rotterdam. Ook heeft zij archieven geraadpleegd, in het Stadsarchief Rotterdam en het NIOD en andere bronnen. Maar het is geen bronnenonderzoek geworden naar de rol van het gemeentebestuur en het gemeentelijk ambtelijk apparaat over het gedrag, het handelen en het nalaten in de Tweede Wereldoorlog jegens haar joodse bevolking.
De centrale vraag die Van den Berg zich stelde luidt: “hoe verliepen de vervolging, ontrechting en het rechtsherstel van de Joden in Rotterdam, hoe reageerden zij hierop en welke invloed had de lokale situatie op deze processen.” Niet de lokale overheid, maar de lokale situatie. De rol van de gemeente, de manier waarop het gemeentelijk apparaat erin stond, daar is nog steeds maar weinig over gedocumenteerd.
Specifiek gericht op onroerend goed
In 2018 besloot Rotterdam te laten onderzoeken hoe de gemeente zich tegenover Joodse Rotterdammers had gedragen tijdens de Duitse bezetting, op een specifiek terrein: in hoeverre zijn er in Rotterdam gemeentelijke heffingen geweest of rekeningen gepresenteerd die achteraf als onbillijk kunnen worden beschouwd en heeft er na 1945 rechtsherstel plaatsgevonden van door de gemeente gekocht of geëxploiteerd Joods bezit? De toenmalige burgemeester, Ahmed Aboutaleb, kreeg in 2020 het eindrapport overhandigd. Duidelijk is dat dit onderzoek dat ook door Van den Berg, met dr. Hinke Piersma, werd gedaan, zich specifiek richt op de omgang met onroerend goed en niet op andere aspecten van de bejegening en behandeling van Joodse Rotterdammers door hun gemeentelijke overheid, bijvoorbeeld op het gebied van kunstrestitutie.
Een van de laagste percentages
Op basis van de Duitse verordening van 10 januari 1941 waren er op 1 oktober 1941 11.657 van ‘gehele of gedeeltelijke Joodse bloede’ geregistreerde inwoners van Rotterdam [A.W. Oosthoek, Kaddisj, ter nagedachtenis van de Rotterdamse Joodse burgers 1940-1945, Rotterdam, 2000, p. 19-23]. Iets meer dan twee procent van de bevolking van Rotterdam was Joods. In Den Haag was in 1941 ruim 3,5 procent van de bevolking joods (naar de maatstaven van de Neurenberger rassenwetten). Onderzoek heeft uitgewezen dat 23,6 procent van de Rotterdamse Joden de Sjoa heeft overleefd [Marnix Croes en Tammes, Peter, Gif laten wij niet voortbestaan. Een onderzoek naar overlevingskansen van Joden in de Nederlandse gemeenten, 1940 – 1945 Amsterdam, 2006, p. 41]. Marleen van den Berg concludeert al op de tweede bladzijde van haar boek dat Rotterdam een van de laagste percentages overlevende Joden van Nederland had, zich baserend op het onderzoek van Croes en Tammes.
Rotterdams Jaarboekje

Hartog J. Valk, Rotterdamsch Parool, april 1967
In 1955 leverde Hartog Valk een artikel in voor het Rotterdams Jaarboekje getiteld De Rotterdamse Joden tijdens de bezetting. Valk was in de oorlog een afdelingshoofd van de Joodse Raad bureau Rotterdam, wat hem een Sperre opleverde. Totdat hij uit zijn oorspronkelijke functie werd gezet was Valk werkzaam geweest bij de gemeente Rotterdam als chef van de gemeentelijke accountantsdienst. Valk was gemengd gehuwd. Dat is waarschijnlijk de verklaring dat hij niet op transport moest, ook niet nadat de Joodse Raad had opgehouden te functioneren. Na de oorlog keerde Valk bij de gemeente terug. Dit zou goed kunnen verklaren waarom Valk over de gemeente Rotterdam, op een één punt na, niets schrijft.
Het duurt meer dan zestig jaar totdat er voor het eerst weer een publicatie aan de Rotterdamse Jodendeportaties wordt gewijd. De BA-scriptie van de historicus Rob Snijders naar de Joodse Raad bureau Rotterdam uit 2018 spitst zich vooral toe op de mate waarin door medewerkers verzet is gepleegd. Snijders baseert zich voor het aan de orde stellen van deze vraag op een passage in het artikel van Valk: “Een onderafdeling van Sociale Zorg was de z.g.n. afdeling „I” (Illegaal), onder mejuffrouw Fie Hartog, die met enige vertrouwde medewerkers hulp verleende bij het onderduiken.” In 2020 volgen dan de onderzoeksresultaten van Piersma en Van den Berg en in 2025 die van Van den Berg.
Joden geweerd uit openbare badinrichtingen
Al in september 1940 moesten Joden van buitenlandse afkomst weg uit Rotterdam. Valk: “Binnen 3 dagen moesten zij de stad verlaten en konden meestal in hun haast slechts het allernoodzakelijkste medenemen.”
Toen Joden geweerd werden uit openbare badinrichtingen, veel huizen hadden nog geen douche, besloot de Joodse Gemeente Rotterdam het na het bombardement beschadigde en sindsdien wel deels herstelde rituele badhuis in het gebouw van de Joodse Gemeente aan de Gedempte Botersloot enigszins te verbouwen, zodat dit zo goed mogelijk geschikt werd gemaakt als vervanging voor de openbare badinrichtingen. De Joodse Gemeente besloot in januari 1942 het badhuis tweemaal per week hiervoor open te stellen. [Van den Berg, Joods Rotterdam, Vervolging, ontrechting, terugkeer en rechtsherstel, p. 116, zich baserend op een passage in Pinkas van Michman, Beem en Michman, p. 528; brief opperrabbijn Davids, januari 1942, archief NIG in SAR, 27, 753]. Voor een goed begrip, een ritueel bad is iets totaal anders dan een publiek badhuis en het is niet goed voorstelbaar hoe een bevolking van ca. 11.000 joden (weliswaar minder want er waren natuurlijk al veel huizen met een eigen badvoorziening) van één zo’n badhuis gebruik zou moeten maken.
Het waren openbare, dus gemeentelijke, badinrichtingen waar Joden niet langer naartoe mochten. De anti-Joodse maatregel gold al een half jaar. Blijkbaar had het tijd nodig om het Joodse badhuis geschikt te maken. Het verbodsbesluit werd onder meer afgedrukt in het Rotterdams Nieuwsblad van 4 juni 1941. Het Bataviaasch Nieuwsblad in het nog vrije Nederlands-Indië maakt hiervan twee dagen later melding met de aanvulling dat in de NSB-pers de verwachting werd uitgesproken ‘dat de nieuwe maatregel op ernstige tegenstand van het Nederlandse volk zou stuiten’. Van ernstige tegenstand is niets gebleken.
‘Met behulp van het Gemeentebestuur’
Aan de uitsluiting vanaf september 1942 van Rotterdams-Joodse leerlingen, waaronder mijn moeder, uit het reguliere onderwijs, werkte de gemeente mee. Dit is het punt waar Valk in zijn Rotterdams Jaarboekje-artikel de gemeente noemt.
Tot de grote vakantie van 1942 konden Joodse kinderen ongehinderd alle scholen bezoeken. In september van dat jaar werd hun echter het bezoek der openbare scholen ontzegd en moesten door de Joodse Raad, met behulp van het Gemeentebestuur, in een minimum van tijd de nodige Joodse onderwijsinstellingen in het leven worden geroepen.
Dat ‘met behulp van het Gemeentebestuur’ is op twee manieren uit te leggen. Het Gemeentebestuur hielp mee, door bestaande scholen te ontruimen en beschikbaar te stellen, zodat de Joodse kinderen in Rotterdam naar school konden blijven gaan. Of: het Gemeentebestuur hielp eraan mee, door bestaande scholen te ontruimen en beschikbaar te stellen, dat het besluit tot de segregatie van Joodse kinderen ook daadwerkelijk ten uitvoer kon worden gebracht.
Gemeentelijke trams en autobussen
Er werd ook druk gespijbeld, schrijft Valk, ‘mede omdat het vaak een onbegonnen werk was voor de kinderen om de scholen te bezoeken, terwijl zij van hun fietsen waren beroofd en het gebruik van de tram hun was verboden’. Hetzelfde probleem deed zich al eerder voor, nl. hoe dat Joodse rituele badlokaal te bereiken vanuit alle hoeken van de stad. Net als in Amsterdam waar de tramdienst van het GVB zijn medewerking verleende [zie Willy Lindwer en Guus Luijters, De Verdwenen Stad, film en boek, 2024] werden de Joden in Rotterdam in gemeentelijke trams en autobussen naar Loods 24 vervoerd. Valk verwijst met name naar razzia’s op 3, 8 en 9 oktober 1942.
Op 3 en 8/9 October hadden razzia’s in de huizen plaats, waarbij ook de Nederlandse politie ingeschakeld werd. Wanneer de Duitsers en de agenten in de woning stonden, dan kreeg het slachtoffer 10 of 20 minuten tijd om zijn boeltje te pakken. In trams en autobussen werden de Joden naar de loods vervoerd.
Trix van Bennekom over de laatste grote razzia in Rotterdam op vrijdagavond 9 april 1943
Daarbij haalde de Sicherheitsdienst, met hulp van de Rotterdamse politie, achthonderd Joden uit hun huizen. Voor het vervoer naar Loods 24 waren vooraf bij de RET drie tramstellen en zestien autobussen besteld. [Trix van Bennekom, Loods 24-herdenking, Rotterdam, 30 juli 2025]
Complimenten aan bestuurders
In het rapport over vastgoed van Joden in Rotterdam uit 2020 schrijven Van den Berg en Piersma
Het beleid werd gekenmerkt door opportunisme en pragmatisme, waarbij de mogelijkheden op het gebied van stadsplanning of -uitbreiding en financieel voordeel hand in hand gingen.
Als dit met betrekking tot vastgoed het beleid jegens Joden was, dan is het aannemelijk dat het beslist niet op zichzelf staat en is het goed voorstelbaar dat ook op andere beleidsterreinen zo met Joden werd omgegaan.
Dat het gemeentelijk apparaat voor, tijdens en ook na de oorlog een laakbare houding heeft aangenomen, daarover werd in mijn Rotterdamse ouderlijk huis op die manier gesproken. Nog een aanwijzing daartoe geeft dr. Ernst Schwebel, de Duitse Beauftragte voor Zuid-Holland. Hij werd na de bevrijding gearresteerd.
Dr. Raymund Schütz hield een toespraak bij de boekpresentatie van In afwachting van jullie terugkeer, De oorlogsgeschiedenis van de Haagse families Weijl en Cohen van Brigitte Weusten en Liesbeth Molenberg in Nijmegen op 23 november 2025
Zelfs in 1947 gaf de Duitse Beauftragte voor ZH dr. Ernst Schwabel vanuit zijn Scheveningse cel complimenten aan de Nederlandse bestuurders. Zij hadden in de eerste twee jaar goed met de bezetter meegewerkt. Juist in die periode vonden de administratieve voorbereidingen van de deportaties plaats.
Verantwoordelijkheid nemen
Zoals de gemeentelijke trams door Amsterdam reden naar de Hollandse Schouwburg, Willy Lindwer en Guus Luijters hebben die betrokkenheid van de gemeente Amsterdam in beeld gebracht, zo reed het Rotterdamse RET-materieel naar Loods 24. Het is tijd dat de gemeente Rotterdam haar verantwoordelijkheid neemt. Waarbij ik niet spreek over een verantwoordelijkheid voor rechtsherstel – dat is een heel andere zaak, maar wel voor het gedrag, de bejegening, de uitsluiting, voor het handelen en voor het nalaten door Rotterdamse gemeentebestuurders en ambtelijk personeel. Daar horen excuses voor te worden gemaakt. Zowel verbaal, schriftelijk als tastbaar.
Van Bennekom
Want ook al maakten Joden vier eeuwen lang deel uit van de Rotterdamse samenleving en hadden zij grote bijdragen aan de stad geleverd, toen het er echt op aankwam bleken zij voor de meeste Rotterdammers de ‘Ander’ te zijn. [Trix van Bennekom, Loods 24-herdenking, Rotterdam, 30 juli 2025]
Schütz, toespraak bij de boekpresentatie van In afwachting van jullie terugkeer
Vrijwel niemand bekommerde zich om de rechtstatelijke en beroepsethische principes. … De rechtsstaat is een kwetsbaar construct dat bestaat bij de gratie van waarheid, transparantie en menselijke waarde. … De genocide begon met discriminerende maatregelen van de overheid. Daarom is het van belang dat ambtenaren altijd beseffen dat zij in de eerste plaats de rechtsstaat dienen.
De gemeente Rotterdam is het aan haar Joodse inwoners verplicht, zij die het hebben ondergaan, zij die het hebben overleefd en aan hen die vandaag de schamele groep vormen van wat eens Mokum Reisj, die glorieuze gemeenschap langs Rotte en Maas is geweest.
Bij zijn veertigjarig ambtsjubileum bij de gemeente Rotterdam werd Valk Officier in de Orde van Oranje-Nassau. Dat was in 1959 en dus waren de jaren waarin Valk niet voor de gemeente had mogen werken wel meegeteld om het aantal van veertig dienstjaren op dat moment te bereiken. In 1949 werd Valk in de nieuwe landelijke centrale Joodse financieringsorganisatie Cefina benoemd voor de Joodse jeugdzorg in Rotterdam. Blijkbaar was Valk ook na de oorlog, ondanks zijn gemengde huwelijk nog wel betrokken bij de Joodse gemeenschap. Iets wat ook blijkt uit de gedetailleerdheid waarmee hij in zijn stuk in het Rotterdams Jaarboekje het lange vooroorlogse religieuze leven en de geschiedenis van Joods Rotterdam beschrijft. Dit blijkt ook uit het geven van vijftien bomen van het Joods Nationaal Fonds voor het huwelijksjubileum van het echtpaar L. Cohen. Valk noemt Cohen in zijn artikel als leider van de afdeling sociaal werk van het bureau Rotterdam van de Joodse Raad. Deze L. Cohen was de ijzerhandelaar Levy (Louis, Lou) Cohen, oprichter en eigenaar van het bedrijf Elceestaal. Het bedrijf was gevestigd in de eerste wolkenkrabber in Nederland, Het Witte Huis en verhuisde enkele jaren na het overlijden van Cohen in 1968 naar Dordrecht waar het nog steeds gevestigd is, met vestigingen in Europa en daarbuiten. Het echtpaar Cohen-Joels bood in 1954 aan de nieuw-geopende sjoel in Rotterdam een nieuwe Tora-rol aan; uniek in de naoorlogse Rotterdams-Joodse geschiedenis. Valk overleed in 1987.
Het Nieuw Israëlietisch Weekblad van 13 september 1939:
In het sous-terrain, door een afzonderlijken ingang van de straat te bereiken, bevindt zich het kerkelijk bad, bestaande uit vijf Mikwoöus, ieder met een aparte badkamer. De inrichting is up to date en buitengewoon practisch ingericht; aan de badinrichting is verbonden een dompelkamer voor het „touwelen” van nieuw vaatwerk. Aan de achterzijde van het gebouw in het sous-terrain bevindt zich de archiefruimte, een ruime lokaliteit, voorzien van stalen vakken en kasten. Deze ruimte kan tevens dienst doen als een gas- en scherfvrije kelder, een z.g. gassluis, waarin, in tijd van nood, gedurende 6 achtereenvolgende uren een schuilplaats kan worden geboden aan pl.m. 60 personen.
Hier blijkt uit dat de ruimte van het ritueel bad min of meer ondergronds was – in een sousterrain. Daardoor kon, nadat het bovenliggende gebouw van drie verdiepingen door het bombardement was getroffen en de restanten ervan waren verwijderd, het rituele bad opnieuw worden geëxploiteerd. Door de ingrijpend gewijzigde omstandigheden werd het nu ook als reguliere badinrichting gebruikt. Bij de bouw was al duidelijk rekening gehouden met een oorlogssituatie getuige de beschrijving van de archiefruimte.
Het Joodsche Weekblad, 16 januari 1942:
Het ligt in de bedoeling het kerkelijk bad te Rotterdam open te stellen voor dames en heeren, die van de openbare badinrichtingen geen gebruik mogen maken. Voor het gebruik van kuipbaden zal de inrichting geopend zijn met ingang van Dinsdag 20 Januari a.s. elken Dinsdag voor dames en elken Donderdag voor heeren van des voormiddags 10 uur tot des namiddags 5 uur. De inrichting is gevestigd aan de Gedempte Botersloot 73. Het tarief is gesteld op 30 cent per bad; handdoeken en zeep worden niet verstrekt.
Het Joodsche Weekblad, 30 januari 1942
Het Kerkbestuur der Ned. Isr Gemeente te Rotterdam, deelt mede, dat wegens de vorst van het ritueel bad geen gebruik kan worden gemaakt. Ditzelfde geldt voor de gelegenheid tot het nemen van kuipbaden in die inrichting voor dames en heeren. Dames, die gebruik wenschen te maken van het kerkelijk bad te ‘s-Gravenhage, kunnen zich aldaar vervoegen Maandags, Woensdags en Vrijdags.
NB Vanaf 7 november 1941 mochten Joden niet meer reizen of verhuizen zonder toestemming. Per reisvergunning moest 25 cent worden betaald [Ruben Vis].
Het Joodsche Weekblad, 27 februari 1942
ROTTERDAM. Ter kennis van belanghebbenden wordt gebracht, dat het kerkelijk bad aan de Gedempte Botersloot weder voor het gebruik beschikbaar is. Eveneens is op de daarvoor aangewezen dagen (Dinsdag voor dames en Donderdag voor heeren) de gelegenheid tot het nemen van kuipbaden weder opengesteld.
