Hajom harat olam – vandaag is de wereld geboren. Rosj Hasjana is de dag waarop de Schepping zijn afronding kreeg. Wanneer we het Scheppingsverhaal in Bereesjiet lezen, zien we een opbouw. Eerst scheidde G’d hemel en aarde, plaatste de hemellichamen aan het firmament, creëerde planten, vissen, vogels, insecten, zoogdieren en uiteindelijk de mens. Adam harisjon.
Ruben Vis, Rosj Hasjana 5786-2025, CIZ-sjoel
En wat doet de mens al op de eerste dag van zijn bestaan? Hij zondigt tegen wat G’d hem heeft opgedragen. G’d had de mens met de dood kunnen bestraffen. Dan had de wereld er heel anders uitgezien. Maar we weten, kijk maar om je heen, dat de eerste mens niet werd gedood.
Wat was G’ds motief om Adam harisjon in leven te laten?
Het antwoord hierop vinden we in de karakterisering van G’d in een zin uit de Tora die we iedere keer herhalen als we Selichot, smeekgebeden uitspreken en op het moment dat op dagen als deze, de jomtovdagen, de Aron Hakodesj wordt geopend om er de Torarollen uit te nemen.
Dan zeggen we G’d is rachoem vechanoen – vol compassie en barmhartig, èrrech apajiem verav chèssed. Traag in woede en overvloedig in goedheid. Errech apajiem, traag in woede. Opmerkelijk, G’d is in staat om Zijn woede als het ware uit te stellen. Hij is in staat Zich in te houden. Hoe dan? G’d voorzag al wat komen zou en zag de episode van Avraham Avinoe, een 20 generaties latere nazaat van Adam Harisjon.
Rosj Hasjana staat niet alleen in het teken van de schepping maar ook in het teken van het verhaal van Avraham Avinoe die bereid was om zijn enige zoon, Jitschak te offeren. Waar G’d Zelf niet bereid was zijn schepping, de mens, te vernietigen, was Avraham Avinoe wel bereid om zijn zoon op te offeren – letterlijk hem het leven te ontnemen. Als dat zou zijn uitgevoerd, dan had dart betekend dat Avraham, die het net door hem gecreëerde Jodendom, de enige monotheïstische religie, al weer had beëindigd.
Rav Joseph B. Soloveitchik wijst hierop, op Adam Harisjon, op èrrech apajim, G’d die Zijn woede niet uitoefent omwille van de bereidheid van Avraham Avinoe om zijn zoon Jitschak te offeren. Iedere Jood heeft groot potentieel in zich, zegt de Rav. En dat is wat we in elkaar moeten zien. We moeten naar elke Jood kijken met het oog op zijn potentieel, ongeacht wat we van hem of haar in het hier en nu vinden. In Adam Harisjon zat potentieel, twintig generaties later, Avraham Avinoe, Adams verre nazaat, zo is het ook met ieder van ons.
Zoals Adam Harisjon één opdracht had, één taak, zo was onze aartsvader Avraham geïnstrueerd om de taak uit te oefenen van het offeren van zijn zoon. Uiteindelijk draaide het verhaal, maar de opdracht, de verplichting die was gegeven.
En voor ons geldt het net zo. Vervullen we al onze taken, hebben we alle verplichtingen die er zijn uitgevoerd? Het zijn vragen die we onszelf vandaag stellen. Om te beginnen onze verplichtingen, die G’d ons heeft gegeven, tegenover onze medemens. En onze verplichtingen Been adam laMakom, jegens het Opperwezen.
Al die voorschriften, 613 in totaal, zijn de mitswot die we hebben. Ze staan verspreid in de Tora en zijn in codices door onze geleerden opgeschreven. Wat precies tot die verzameling van 613 mitswot hoort, wordt betwist. De ene geleerde komt tot een andere indeling dan de ander. Hoe dan ook, wat ze er van hebben gemaakt is een wetboek; een wetboek van 613 voorschriften, te doen of na te laten, geboden en verboden. Een van de auteurs van zo’n wettencompendium is Rabbi Moshe uit Coucy. Coucy is een dorp in noordoost Frankrijk. Hij schreef Sefer Mitsvot Gadol, waarin hij alle Mitsvot noteerde. En dan gebeurt er iets wat je in een normaal wetboek niet tegen zou komen. Rabbi Moshe vertelt in het boek dat hij een droom kreeg.
Toen Rabbi Moshe zijn werk af had, kreeg hij in een droom een visioen. Moshe, je bent in je boek de belangrijkste opdracht vergeten. Je hebt het verbod vergeten:
הִשָּׁמֶר לְךָ פֶּן־תִּשְׁכַּח אֶת־ה אֱלֹ־יךָ
Let er op dat je G’d niet zult vergeten.
Dit brengt me erop dat we vaak genoeg aan dit voorschrift voorbijgaan, we vergeten G’d, Zijn bestaan, het feit dat Hij het was die Adam harisjon, de eerste mens schiep, die Avraham opdracht gaf zijn zoon te offeren en, dat Hij het is die niet alleen toen maar ook nu Degene is die werkelijk deze wereld leidt.
Het is een gedachte die steeds verder weg lijkt te liggen in onze geseculariseerde samenleving. Maar de weg van secularisatie is geen eenrichtingsweg, we kunnen terug, de samenleving kan terug. Zoals tesjoeva terugkeer betekent, op een punt te zijn aangekomen en ons realiseren ‘nee, ik heb de verkeerde afslag genomen. Vanaf dit punt keer ik terug’, zo is er op de weg van secularisatie ook de gelegenheid om die U-turn te maken.
En als we zelf die U-turn niet maken dan is het de ander wel die ons er fijntjes op wijst Joods te zijn. Arnon Grunberg, misschien bent u verrast hem tegen te komen op tweede dag Rosj Hasjana in onze sjoel, zegt het pakkend. Hij reflecteerde op de opening van het Amsterdamse Holocaustmuseum en de aanwezigheid daarbij van de Israelische president Isaac Herzog en concludeerde in een artikel dat hij erover in De Groene Amsterdammer schreef:
Op het moment dat het erom gaat, is de identificatie nooit zelfidentificatie. Op het moment suprême word je geïdentificeerd door de vijand.
Het heeft geen zin om weg te lopen van het Jodendom. We hebben het afgelopen jaar de pijnlijke voorbeelden ervan gezien, en velen van ons ook persoonlijk ervaren. Aangesproken worden. Op je Joods-zijn. Als dat zo is, waarom dan niet zelf het Jodendom op te zoeken, in sjoel, in een sjioer, Joodse muziek, kosjer eten – tegenwoordig met de Kasjroetlijst-app echt gemakkelijk, of onze daadwerkelijke steun te geven aan belangrijke Joodse doelen in Nederland of Israel.
Afgelopen zomer had ik twee bijzondere ervaringen die ik met jullie wil delen.
We waren op vakantie in Griekenland en we verbleven eerst een paar dagen in Athene, de stad van de Acropolis. Op de Acropolis zijn tempels gewijd aan de goden Demeter, Athena, Poseidon, we hebben Zeus, Hera, noem maar op, een heel godenrijk. Het krioelde er van de toeristen. Het zijn er zoveel dat de poorten soms dichtmoeten.
Kort daarna begon chodesj Elloel. Sefaradiem beginnen dan meteen aan het begin van de maand dus, met het zeggen van Selichot. Vrijwel iedere avond stroomde er een filmpje mijn telefoon binnen. Onze Acropolis staat in Jeroesjalajiem. Duizenden en duizenden mensen kwamen daar avond na avond bijeen om datgene te doen waarvoor ooit op de Har Habajit de tempel was gebouwd. Op de plaats waar Avraham zijn zoon bereid was te offeren. Ze kwamen er om er hun zonden te belijden en hun hart uit te storten.
Ook daar krioelde het dus van de mensen. Maar met dat verschil dat Athene drommen toeristen aantrekt en Jeroesjalajim mensen trekt, drommen mensen, die aanbidden wat destijds werd aanbeden. Wat een tegenstelling!
Ook de afgelopen zomer bestond de Snoge 350 jaar. Wie ernaar binnengaat ervaart hoe de tijd er compleet heeft stil gestaan. Waarschijnlijk is er geen gebouw in Amsterdam dat nog exact zo is als hoe het 350 jaar geleden is geweest, ten tijde van de Hollandse Gouden Eeuw (inmiddels een beladen begrip want dat ging wel over de rug van tweede misschien wel derderangs mensen, burgers waren het niet eens)
Van de opening zijn geen foto’s uiteraard maar wel een ets, een in koper gekraste afbeelding van het openingsfeest. Romeyn de Hooghe was erbij en legde het vast. Het misschien wel meest opmerkelijke detail van de ets torent hoog boven de Hechal uit. We zien er allegorische afbeeldingen die onder meer de stad Amsterdam en het stadsbestuur verbeelden.
Het misschien wel meest intrigerende van het schouwspel is het motto dat er onder staat. Libertas conscientiæ incrementum reipublicæ wat kan worden vertaald als: ‘Vrijheid van geweten is de bloei van de republiek, of de groei van de staat. De aansporing in de Latijnse boodschap is in welke vertaling dan ook, dat de staat profiteert van de toekenning van de vrijheid van geweten. Het bijschrift spreekt over Libertas conscientiæ maar had er niet boven een synagoge-tafereel Libertas religionis moeten staan? Zover wilde Romeyn de Hooghe blijkbaar niet gaan, of wellicht was dit begrip nog niet zo sterk ingevoerd.
Lord Jonathan Sacks, opperrabbijn van het Britse Gemenebest citeert de twintigste-eeuwse politiek filosoof John Plamenatz die schreef: vrijheid van geweten is ontstaan, niet uit onverschilligheid, niet uit scepsis, niet uit louter openheid van geest, maar uit geloof. [Jonathan Sacks, The persistence of faith, introduction, 2005].
Vrijheid van geweten, vrijheid van meningsuiting, het staat tegenwoordig bovenaan in de hitparade. Maar laten we niet vergeten dat vrijheid van geweten, zoals Romeyn de Hooghe al in 1675 in zijn etsplaat kraste, voortvloeit uit geloof.
En laten we ook Rabbi Moshe uit Coucy niet vergeten. Je schrijft een wetboek en raakt verzeild in een droom. Een droom waarin je wordt gezegd, rabbi Moshe:
הִשָּׁמֶר לְךָ פֶּן־תִּשְׁכַּח אֶת־ה אֱלֹ־יךָ
Let erop dat je G’d niet zult vergeten.
Vergeten, we benoemen het ook in onze gebeden van Rosj Hasjana.
אֵין שִׁכְחָה לִפְנֵי כִסֵּא כְבוֹדֶךָ
Voor uw troon bestaat geen vergeten.
Zo is G’d. Wij proberen Hem na te bootsen, indachtig de opdracht
וִהְיִיתֶם קְדֹשִׁים כִּי קָדוֹשׁ אָנִי
Heilig zul je zijn want Ik ben heilig.
Als wij voor Zijn troon verschijnen, zoals vandaag het geval is, dan geldt ook voor ons de plicht om niet te vergeten, om in ons dagelijks leven G’d niet te vergeten.
In een tijd dat we met ontzag kijken wat door superchips aan artificiële intelligentie wordt gecreëerd mogen we niet vergeten dat we vandaag – Hajom harat olam – de creatie van de wereld gedenken. Wetenschap biedt ons op verbluffende wijze middelen om ons leven te vergemakkelijken, om de wereld om ons heen te ontleden en ons leven te verlengen.
De dag van vandaag, Rosj Hasjana, en die van volgende week Jom Kippoer, waarop we AI terzijde leggen, waarop we met onze gebeden, met het rauwe, pure geluid van de sjofar staan voor de Schepper van hemel en aarde, doet ons terugkeren naar iets wat wetenschap ons niet geeft en kan geven.
Jonathan Sacks, de meester van de uitleg van wat geloof en van wat Jodendom is, heeft het treffend gezegd:
“Science is about explanation. Religion is about meaning.
Science analyses religion integrates.
Science breaks things down to their component parts. Religion binds people together in relationships of trust.
Science tells us what is. Religion tells us what ought to be.
Science describes. Religion beckons, summons, calls.
Science sees objects. Religion speaks to us as subjects.
Science practices detachment. Religion is the art of attachment, self to self, soul to soul.”
Laten we in het nieuwe jaar die ene opdracht, die ene mitswa aan ons leven toevoegen, die mitswa die Rabbi Moshe uit Coucy notabene in zijn opsomming van alle voorschriften bijna was vergeten. Een visioen in een droom voorkwam dat:
הִשָּׁמֶר לְךָ פֶּן־תִּשְׁכַּח אֶת־ה אֱלֹ־יךָ
Let erop dat je G’d niet zult vergeten.