Jodendom: het goede doen als kleine gemeenschap
Voor een bundel van het Thijmgenootschap over religie in de gemeentelijke beleidspraktijk waarin uitingen van de diverse religieuze stromingen in Nederland aan de orde komen, schreef ik in 2024 deze bijdrage, die uitleg geeft over het specifiek Joodse dat beleidsmakers in het openbaar bestuur kan tegenkomen.
Inleiding
Joden wonen sinds meer dan 400 jaar onafgebroken in Nederland. Joden zijn Nederlanders en willen vooral als Nederlanders worden beschouwd. Zij laten zich als vele anderen van de 17 miljoen bondscoaches kritisch uit over de opstelling van het Nederlands elftal en juichen voor Oranje. Zij vieren Koningsdag, bakken oliebollen, mopperen over het weer en over de regering (ongeacht wie de regering vormt). Zij stemmen op links of op rechts, stemmen op lokale partijen, maar misschien wat minder op confessionele partijen, omdat ze zich door het christendom noch door de islam laten inspireren of daarin hun worteling hebben; zij zijn namelijk joods.
Het jodendom is een religie, maar het is meer dan dat. Het is een levensbeschouwing in de zin dat het jodendom verder strekt dan uitsluitend de relatie mens – God; het heeft ook opvattingen over de relatie tussen mensen onderling en over misschien wel alles. Daarnaast is het jodendom een cultuur. Want joden zijn niet alleen aanhanger van een religie of levensbeschouwing, maar ook onderdeel van een volk, het Joodse volk. Bij een volk horen kenmerken als gezamenlijke taal en traditie, gezamenlijke waarden en een gezamenlijk land. Dat land is het land Israël dat in Bijbelse tijden onder die naam bestond en sinds 1948 opnieuw een land is (de staat Israël) waar de Joodse identiteit ten volle en door de staat wordt gesteund en gestimuleerd. Joden spreken landsgrensoverschrijdend gezamenlijke talen. Lang was dit de Jiddische taal, die in de negentiende eeuw als spreektaal uit Nederland is verdwenen. De taal van het gebed en van rabbijnse literatuur was en is het Hebreeuws. Dit is ook de taal van de hedendaagse staat Israël.
Omdat in het jodendom het accent sterk ligt op de voorschriften en het er in dit hoofdstuk om gaat wat de lokale overheid kan verwachten in contacten met het jodendom, ga ik uitvoerig in op de betekenis van de voorschriften en de relevantie ervan in de praktijk. Voorafgaand hieraan schets ik eerst het jodendom als religie en zijn verschijningsvorm in Nederland wat verder.
De kern van het Jodendom
De kern van het Joodse geloof is van God te houden door Hem te dienen. Die opdracht moeten een jood vervullen ‘met je hele hart, je hele ziel en al je capaciteiten’ (Bijbelboek Deuteronomium, hoofdstuk 6, zin 5). Daar komt de uitdrukking vandaan ‘met hart en ziel’ je ergens voor inzetten. Veel uitdrukkingen in het Nederlands komen uit de Bijbel. De uitdrukking hoe God te dienen bevat niet alleen ‘met hart en ziel’ maar ook met ‘al je capaciteiten’. Een belangrijk vertrekpunt in het jodendom is dat de mens de wil heeft om het goede te doen, maar tegelijkertijd is er de drang om dingen te doen die je beter niet zou moeten doen. Als je aan eten en drinken denkt, kennen we allemaal de verkeerde neiging om te veel ongezond voedsel tot ons te nemen.
Het jodendom kent veel voorschriften over gedragingen; dingen die iemand behoort te doen of juist behoort niet te doen. Het meest aansprekende voorbeeld is de inhoud van de Tien Geboden, zoals die in het Bijbelboek Exodus staan. Daarin staat dat iemand niet mag moorden, niet mag stelen en niet mag begeren wat van een ander is, dat de Sjabbat als rustdag onderhouden moet worden, en dat ouders geëerd moeten worden. Die lijn van ‘je moet dit doen’ en ‘je mag dat niet doen’ trekt het jodendom door en dat betekent dat joden dus allerlei gedragingen hebben vanuit een religieuze verplichting. Bij het jodendom als een religie van voorschriften is het daarom voorstelbaar dat zijn aanhangers voortdurend in situaties komen waar de goede en de slechte neiging met elkaar om voorrang strijden. Dit komt nog boven op de voorschriften die de staat ons oplegt, zoals de neiging om bij rood stoplicht wel of niet door te lopen. Het jodendom is een religie van God te dienen door steeds het juiste te doen, of het onjuiste niet te doen.
Als religie ontleent het jodendom zijn waarden aan de eerste vijf boeken van het Oude Testament, die samen de Thora of de vijf boeken van Mozes worden genoemd. Die vijf boeken hebben een verhalend karakter en bevatten daarnaast allerlei voorschriften. De verhalentraditie gaat door in de andere boeken van het Oude Testament. De voorschriften worden verder uitgewerkt in allerlei vervolgliteratuur, de zogenoemde rabbijnse literatuur die tot de dag van vandaag wordt voortgezet. Dat is een meer dan tweeduizend jaar lange zich steeds ontwikkelende lijn van denken, ordenen, op de actualiteit toepassen en codificeren. De rabbijn is de geestelijk leider in het jodendom. De rabbijn legt de voorschriften uit, is leraar, en beslisser over de uitleg en toepassing van de voorschriften. (Het jodendom in Nederland hanteert de term ‘rabbijn’, niet de term ‘rabbi’).
De herkomst en aanwezigheid van Joden in Nederland
Tot het jaar 70, nu dus zo’n 2000 jaar geleden, woonden de joden in het gebied wat nu ongeveer overeenkomt met de staat Israël. Daar hadden zij hun heiligdom, de tempel in Jeruzalem. Met de verwoesting van die tempel en de verbanning van vrijwel alle joden naar andere landen door de Romeinen, moest het jodendom zich aanpassen. De joden hadden geen tempel meer als centraal geestelijk centrum en ze woonden verspreid van elkaar, waaronder in Europa. Rond 1600 kwamen de joden ook in Nederland terecht. Een groep kwam vanuit het zuiden, de Sefardische of Spaans-Portugese joden en een, veel grotere, groep kwam vanuit het oosten, de Asjkenazische joden. Ieder met hun eigen invulling van de joodse tradities en gebruiken, maar allebei met dezelfde kijk op de voorschriften. Beide tradities bestaan nog steeds, zowel in Nederland als elders in de wereld.
Een belangrijk verschil tussen Nederland en andere Europese landen was dat de joden hier een ruimere mate aan vrijheid ondervonden en vanaf hun komst gespaard bleven voor vervolging en verdrijving. De idealen van de Verlichting gaven vanaf ongeveer 1800 nog meer vrijheid. Dit leidde er in Duitsland in de negentiende eeuw toe dat een nieuwe vorm van jodendom zich ontwikkelde die in de jaren ’30 van de vorige eeuw ook in Nederland voet aan de grond kreeg. Dit is een progressieve benadering van het jodendom gaan heten. Nu zijn er dus drie joodse religieuze stromingen in Nederland: de Sefardische of Spaans-Portugese, de Asjkenazische of Nederlands-Israëlitische en de progressieve stroming. De progressief-religieuze stroming heeft, juist op punt waar het hier om gaat, het hechten aan de voorschriften, een ruimhartiger opstelling. Daardoor zal een aantal van de hierna te bespreken manifestaties van het jodendom, voor deze stroming minder van toepassing zijn.
De populatie joden telt in Nederland ongeveer 40.000 personen. Zo weinig joden zijn er dus slechts in Nederland. De meeste van deze joden wonen in de Randstad en met name in de agglomeratie Amsterdam. Het transnationale karakter van het jodendom komt tot uitdrukking in het feit dat joden meer dan gemiddeld een partner hebben uit een ander land dan Nederland. Naar schatting 20 procent van de joden in Nederland of minimaal één van hun ouders is afkomstig uit Israël.
Voor de grootste groep Nederlandse joden geldt dat, mede door de algehele secularisatie, zij minder hechten aan de religie maar zich niettemin onverminderd joods beschouwen. Wie het belijden van de joodse religie geheel of gedeeltelijk over boord heeft gezet, heeft daarmee het jodendom niet per se vaarwel gezegd. De joodse identiteit wordt namelijk, zoals in de inleiding van dit hoofdstuk beschreven, niet alleen door religie, maar ook door taal, cultuur en de Holocaust gevormd. Ook de staat Israël speelt een grote rol. Dit vanwege het relatief grote aantal leden van de joodse gemeenschap dat daar zelf vandaan komt of omdat hun ouders daar vandaan komen, maar ook omdat de band met Israël door de eeuwen heen gekoesterd is gebleven. Dus ook als iemand zelf geen directe verwanten in Israël heeft wonen, wordt er meegeleefd met wat zich voordoet in een land dat vanuit Nederland geografisch ver van ons is.
Manifestaties van jodendom in het publieke domein
Uit de bovenstaande uiteenzetting blijkt dat het Jodendom een wat ik noem ‘doe-religie’ is; do’s en don’ts (eigenlijk must do’s en refrain from’s). Daarmee bedoel ik dat een jood allerlei dingen moet doen, of vooral niet mag doen. In het vervolg van dit hoofdstuk schets ik veelvoorkomende manifestaties van de joodse religie in het publieke domein, in het bijzonder zoals dat zich in de lokale samenleving toont. Daarbij geldt een belangrijke kanttekening: beslist niet iedere joodse stroming of groepering hecht waarde aan iedere beschreven manifestatie van jodendom. De benoeming van ieder onderwerp moet dus worden gelezen als een manifestatie die zich kàn voordoen, maar zeker niet in alle situaties of op alle plaatsen in Nederland.
Vrij op sjabbat en joodse feestdagen
Omdat het jodendom een werkverbod kent op bepaalde dagen, ontstaat er op die dagen een probleem met deelname aan het maatschappelijk verkeer en in het bijzonder de verplichte aanwezigheid op school. De Leerplichtwet biedt vrijstelling van schoolbezoek voor leerplichtigen als de leerplichtige een religieuze verplichting heeft te vervullen. De Sjabbat begint op vrijdag in de namiddag en eindigt op zaterdagavond. Weliswaar is er geen school op zaterdag maar de leerplicht op vrijdagmiddagen zou dus kunnen botsen met het vervullen van de religieuze plicht om de Sjabbat te houden. Dit kan zich in de wintermaanden voordoen wanneer Sjabbat omdat het eerder donker wordt, relatief vroeg begint. Het werkverbod is verstrekkend en betreft ook te reizen zodat er dus om op tijd thuis te zijn een ruime tijdsmarge moet worden ingebouwd.
Daarnaast zijn er bijzondere dagen in het jaar waarvoor een werkverbod geldt. De Leerplichtwet (art. 11 lid e) bepaalt dat de ouder/verzorger een melding doet aan het bevoegd gezag dat het kind vanwege de vervulling van een religieuze verplichting niet deelneemt aan het volgen van onderwijs op die bepaalde dag of dagen of vrijdagmiddagen. De schoolleider wordt dus niet om een beslissing gevraagd; de ouder doet een melding.
Huwelijk, overlijden en begraven
Het jodendom kent een religieus huwelijk. In lijn met het wettelijk voorschrift wordt dit door de bedienaar van de religie voltrokken nadat het burgerlijk huwelijk is gesloten. Sommige joodse bruidsparen zullen bij het huwelijk dat door de Buitengewoon Ambtenaar van de Burgerlijke Stand wordt voltrokken, geen ringen uitwisselen.
Het jodendom beoogt de overledene zo spoedig mogelijk, liefst dezelfde dag nog, te begraven. De Wet op de lijkbezorging gaat nu nog uit van minimaal 36 uur maar biedt ruimte voor begraving binnen die termijn (art. 16 en 17). Behalve op Sjabbat en joodse feestdagen wordt er altijd begraven, dus ook op zondag en nationale feestdagen zoals Nieuwjaarsdag of Koningsdag.
Er zijn in Nederland zo’n 250 joodse begraafplaatsen. In veel gemeenten is dus een joodse begraafplaats te vinden. De meeste joodse begraafplaatsen zijn eigendom van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap. Ook lokale Joodse Gemeenten hebben hun begraafplaatsen. De Liberaal-Joodse Gemeenten hebben in vier gemeenten een begraafplaats en er is een Portugees-Joodse begraafplaats. Op ongeveer 50 begraafplaatsen wordt nog met enige regelmaat begraven. De andere 200 begraafplaatsen zijn ook nog steeds actief in die zin dat er nog steeds begraven kan worden, wat incidenteel ook nog wel gebeurt. Deze zijn dus niet gesloten! Dat is ook niet wat de eigenaren ervan beogen.
Op joodse begraafplaatsen worden graven niet geruimd. Er wordt niet in familiegraven begraven. Omdat de nabestaanden worden geacht zelf het graf dicht te scheppen, wordt bij de grafdelving de minimaal wettelijk vereiste diepte (65 cm. boven de kist, art. 5 lid 2 Besluit Lijkbezorging) in acht genomen.
Mannen en vrouwen
In de meer traditionele joodse kringen is er een meer of mindere mate van scheiding der seksen. Zo zitten mannen en vrouwen bij de dienst in de synagoge niet bij elkaar, maar is er tussen de mannen en de vrouwen een vorm van fysieke afscheiding. De gedachte daarachter is dat iemand die God wil dienen met al zijn/haar capaciteiten, hij/zij ernaar moet streven niet te worden afgeleid. In de meest strikte kringen wordt fysiek contact tussen mannen en vrouwen, niet zijnde elkaars echtgenoten of ouders en kinderen, vermeden. Het progressieve jodendom kent deze uitingen van scheiding niet.
Om het besef dat er een God boven ons staat, zo sterk mogelijk te houden, dragen joodse mannen een vorm van hoofdbedekking. Er is geen voorschrift waar die hoofdbedekking uit moet bestaan. Dit kan een keppel zijn (een hoofddeksel dat een deel van schedel bedekt en die we uit het christendom kennen van de paus, kardinalen en bisschoppen), maar in wezen kan het ieder hoofddeksel zijn, zoals een pet, hoed, muts, steek, of baret. Omdat er in Nederland nauwelijks joden zijn die het hoofddeksel-voorschrift tijdens hun werk toepassen, is de vraag of een jood in een geüniformeerd beroep uit religieuze overweging een hoofddeksel moet kunnen dragen feitelijk een non-discussie.
Kosjer consumeren
Tot de joodse voorschriften behoren ook voorschriften ten aanzien van eten en drinken, dus van voedsel consumeren. De belangrijkste voorschriften zijn: een strikte scheiding tussen enerzijds melkproducten en voedsel waarin melk is verwerkt en anderzijds vleesproducten en voedsel waarin vlees is verwerkt. En in het verlengde hiervan: vlees kan alleen worden geconsumeerd als het (1) afkomstig is van bepaalde diersoorten, (2) het dier conform de joodse voorschriften is geslacht, (3) het vlees vervolgens conform de joodse voorschriften is bewerkt en (4) het vlees totdat de consument er eigenaar van wordt en er dus zelf verantwoordelijk voor is, onder voortdurend rabbinaal toezicht is geweest of afgesloten is geweest.
Daarom zijn er bereiders van kosjer voedsel (zoals bakkers, cateraars, restaurants) die voedsel bereiden onder rabbinaal toezicht. Deze zijn voor Nederland alleen in Amsterdam gevestigd. Kosjer eten smaakt op zichzelf niet anders dan niet-kosjer eten, maar omdat de beoordeling van de ingrediënten en de bereiding volgens de kosjer-voorschriften dermate complex is, is het voor gewone koks, bakkers of cateraars in de praktijk niet doenlijk om voor een keer kosjer te bereiden.
Wil de gemeente zich qua catering van zijn beste kant laten zien, dan vraagt dat dus bijzondere en tijdige extra inspanningen waarbij de foerage vaak van ver gehaald zal moeten worden. Wel bestaat er een zogenoemde Kasjroetlijst waar reguliere levensmiddelen op staan die als geoorloofd worden beschouwd en die door veel (niet alle) mensen die zich aan de kosjer-voorschriften houden, worden geconsumeerd. Het beste is dus om in het geval er joodse deelnemers of gasten zijn, hen zo ruim mogelijk van tevoren naar de voedingswensen te vragen.
Gebouwen en standbeelden
Aan het synagogegebouw zijn voorschriften vanuit de religie verbonden. Zo is de richting van het bidden en dus van de inrichting van de synagoge naar het zuidoosten. Daar zal dus bij de oriëntatie van het gebouw en de inrichting rekening mee moeten worden gehouden. In beginsel zijn de religieuze voorschriften wel inpasbaar in de omgevingsvergunning. Tot de voorwaarden om als synagoge, als joods gebouw, te kunnen dienen, behoren uitgebreide veiligheidsmaatregelen, zowel in als aan het gebouw als ook rondom het gebouw. In overeenstemming met het voorschrift uit de Tien Geboden om geen gesneden beelden te maken, is het jodendom afkerig van standbeelden. Mocht er een initiatief zijn om een monument op te richten ter herinnering aan de Holocaust of om iets joods te markeren, dan is een standbeeld of beeldengroep geen goed idee.
Openbare Chanoeka-vieringen
Sinds ongeveer 1990 is het in Nederland meer en meer de gewoonte geworden om op het Chanoeka-feest (in december) in het openbaar een grote Chanoeka-kandelaar aan te steken. Het feest kenmerkt zich door gedurende acht avonden iedere avond een kaars meer aan te steken in een daartoe ontworpen kandelaar (die dus plaats biedt aan acht kaarsen of olielichten op een rij) met als negende een licht waarmee de andere kaarsen worden aangestoken. Alhoewel het licht aansteken (verspreiden) het meest zichtbare aspect van het feest is, markeert Chanoeka dat joden weer vrij waren om hun religie volgens hun opvattingen en voorschriften uit te oefenen. In artikel 9 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) staat dat eenieder het recht heeft op vrijheid van godsdienst en dat dit recht ook de vrijheid omvat, zowel in het openbaar als privé, zijn godsdienst te belijden in erediensten, in onderricht, in praktische toepassing ervan en in het onderhouden van geboden en voorschriften. In wezen viert het Chanoeka-feest dit recht. Het ‘in praktische toepassing’ in het EVRM-artikel is in feite het uitoefenen van de voorschriften die voor het jodendom als een religie van must do’s en refrain from’s zo uitermate belangrijk zijn.
Beveiliging en antisemitisme
Tot slot. Het onderwerp beveiliging is niet inherent aan de publieke manifestatie van het jodendom, maar wel zeer voorwaardelijk daaraan geworden. Dat heeft alles te maken met de bejegening van joden. Al twee generaties, sinds medio jaren zeventig van de vorige eeuw, bestaat de noodzaak dat joodse activiteiten worden beveiligd. Beveiliging is noodzakelijk als preventie tegen extreme uitingen van antisemitisme. Uitsluiting en achterstelling van joden in de samenleving en leden van de joodse gemeenschap is helaas iets van alledag. De joodse bevolkingsgroep heeft de weinig benijdenswaardige positie van oudste nog bestaande groep die met uitsluiting en achterstelling te maken had en nog steeds heeft. Bij antisemitisme, jodenhaat dus, blijkt dat er van soms eeuwenoude stereotypen wordt gebruik gemaakt, zoals: geld en macht, omverwerping van de maatschappij (communisme is joods; omvolking is joods), bloed en kinderen. De rijksoverheid heeft een Nationaal Coördinator Bestrijding Antisemitisme (NCAB). De beveiliging is gericht op het voorkomen van terreur en verstoringen. Dit dient uiteraard te gebeuren in nauw overleg met het lokale gezag. Ter coördinatie hiervan heeft de joodse gemeenschap de organisatie Bij Leven en Welzijn (BLEW) in het leven geroepen.
Vervolgliteratuur:
Tirtsah Levie Bernfeld & Bart Wallet, Canon van 700 jaar Joods Nederland. Zutphen: Walburg Pers, 2023
Lou Evers & Jansje Stodel, Jodendom in de praktijk, Boekerij, 2011