RubenVis

Ruben Vis

Gedreven Joods, Bloeme Evers-Emden, aspecten van haar persoon en persoonlijkheid

‘Zonder sjoel is de assimilatie onvermijdelijk’, dat zei Bloeme Evers-Emden in 2007 toen Sjoel West 50 jaar bestond, zelfs de kleinste sjoel van Nederland. 

In het In Memoriam dat ik de dag na haar overlijden publiceerde, schreef ik

Met het heengaan van Bloeme Evers-Emden, maandagochtend 18 juli 2016 – 12 Tammoez 5776 slaat Joods Nederland een bladzijde om. Haar leven eindigde in de Joodse staat Israel, waar inmiddels de meeste van haar kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen wonen.

Vandaag is het 12 tammoez, tien jaar later, de tiende jaartijddag van Bloeme bat Imanoe’el aleha hashalom. Ik wil het met jullie hebben over het leven, de levenshouding en de kijk op het leven van Bloeme. Aan de hand van gebeurtenissen uit mijn eigen contact met haar en haar gezin, uitspraken van Bloeme die zijn opgetekend, door anderen of door haarzelf, wat anderen van haar hebben geleerd, en zo een beeld proberen te schetsen van de persoon Bloeme Evers en de persoonlijkheid die zij is geweest.

Op ieder mens is ook wel iets af te dingen; wie is volmaakt? Ik heb besloten daar geen focus op te vestigen, op wat er op haar aan te merken zou zijn. Daarmee is het dus zeker geen compleet beeld wat ik presenteer, maar wel een schets van aspecten en ik denk belangrijke aspecten van de persoon en persoonlijkheid van Bloeme Evers-Emden.

I

Bloeme was afkomstig uit een niet-religieus socialistisch gezin zoals zovele vooroorlogse Amsterdamse Joden in een tijd dat de Joodse inwoners van Amsterdam zo’n tien procent van de bevolking vormden. Zelf omschreef ze het in een door haar in 1999 opgesteld Curriculum Vitae:

Ik ben geboren in Amsterdam in 1926 als oudste van twee dochters in het Joodse gezin van een diamantbewerker, waar de godsdienst was ingeruild voor politiek bewustzijn met een scherp oog voor het fascistische gevaar vanaf 1933. Een doorsnee-leven, ingebed in gezin en familie tot 1940.

De familienaam Emden verwijst naar haar afkomst: Emden in Noord-Duitsland, de naam en plaats van Rabbi Jacob Emden, de zoon van Chacham Zwi, de grootste Asjkenazisch-Joodse rabbijn en geleerde die Amsterdam heeft gekend en zijn zoon, Jacob Emden, zelf een misschien nog wel meer internationaal befaamde Joodse geleerde.

Op het titelblad van ieder van zijn inmiddels twaalf delen aan rabbinale responsa die opperrabbijn Raphael Evers schreef, staat dan ook dat hij daarvan afstamt; niet alleen een verwijzing naar de Rabbi Jacob Emden die overleed in 1776, maar die vermelding is ook een eerbewijs aan zijn moeder Bloeme Evers die nooit haar meisjesnaam Emden wegliet. Voor zoon Raph een uiting van kieboed Eem – eerbied voor je moeder, en een uiting van Ve’al titosj torat iemècha – verlaat de leer van je moeder nooit.[1]

Haar ouders Emanuel Emden en Roza Emden-de Vries en Bloeme’s zes jaar jongere zusje Via Roosje stierven op 9 juli 1943 in Sobibor. Via was genoemd naar haar moeders moeder Via Vogelina van der Klei, die was geboren in Appingedam en na verblijf in Groningen in Amsterdam kwam. Emanuel, Bloeme’s vader, was diamantbewerker, net als diens vader Abraham. Toen Bloeme’s vader werkloos werd, vond hij een baan als vertegenwoordiger in koffie en thee. De vader van Abraham was Barend, sigarenmaker, geboren in 1828. De vader van Barend was Philip Emden, hij woonde op Marken, dus in het hart van de oude arme Amsterdamse Jodenbuurt. De familielijn gaat terug naar de oudste terug te traceren voorvader in Amsterdam: Emanuel Joseph Emden, die in ongeveer 1730 is geboren, na 1787 zich in Amsterdam vestigde en in 1815 in Amsterdam is overleden.

II

Bloeme overleefde, na onderduik, te zijn gepakt in de onderduik, Westerbork, Auschwitz, waar ze met een groep vrouwen vanuit door werd gestuurd om dwangarbeid te verrichten in een kamp Liebau genaamd. Daar werd ze bevrijd.

Vanaf mei 1943 is ze in vijftien maanden op zestien onderduikadressen geweest, totdat het zoals in een derde van de gevallen (!) ook bij haar misging en ze op 29 augustus 1944 in Westerbork kwam. Al meteen op 3 september werd Bloeme op transport gezet naar Auschwitz, het laatste transport vanuit Westerbork naar Auschwitz. Als strafgeval, en in dezelfde trein als het gezin van Otto, en zijn vrouw Edith en hun dochters Margot en Anne Frank. Zij waren gepakt en drie weken eerder in Westerbork gekomen. De barakken van Bloeme en van Margot en Anne stonden naast elkaar.

Bloeme keerde terug naar Amsterdam, 19 jaar oud, zonder ouders. Als enige van de familie van vaders- en moederskant, enorme families, bleek Bloeme de Sjoa te hebben overleefd. Ze kon intrekken bij Meijer van Moppes en zijn niet-Joodse vrouw en hun zoon Alfred die twee jaar ouder was dan Bloeme. Toen Meijer van Moppes in 1949 op 62-jarige leeftijd overleed, was hij voorzitter van roeivereniging Poseidon. Geen Joodse roeivereniging maar wel de roeivereniging waar Joden bij roeiden. De roeivereniging was zo Joods dat, zoals Bloeme in haar autobiografie Als een pluisje in de wind schrijft, de kantine van Poseidon werd leeggehaald bij een razzia in juni 1941.

De toevallig die avond aanwezige jongemannen werden opgepakt. Binnen enkele weken vielen de doodsberichten uit Mauthausen op de mat bij hun getroffen ouders.

Bij andere roeiverenigingen mochten Joden geen lid worden. Bijvoorbeeld niet bij de Koninklijke Roeivereniging De Hoop. Het gebouw van Poseidon bevond zich tot 1944 aan de Weesperzijde, aan de rand van de Jodenbuurt. Op die plek staat nu het gebouw van De Hoop. In 1944 is het gebouw van Poseidon door de Duitse bezetter gesloopt. Na de oorlog was Poseidon te klein om een nieuw gebouw te kunnen bouwen. Andere roeiverenigingen zoals het elitaire De Hoop met eigen middelen en Willem III met gemeentelijke steun, bouwden wel nieuwe clubgebouwen.

De Hoop was natuurlijk nog groot genoeg, bouwde niet alleen een nieuw gebouw, maar kreeg ook de prachtige plek aan de Amstel van Poseidon. Het zou tot 1954 duren totdat ook Poseidon, uit eigen middelen gespaard een roeigebouw neer kon zetten. Het moest genoegen nemen met een plaats aan de Amstel ver buiten de toenmalige stad en destijds alleen bereikbaar met een pontveer.

Bij Poseidon was het ook dat Bloeme na de oorlog actief was en haar man Hans zou ontmoeten.

Daarvoor, al in de oorlog, was er vriendschap tussen Fred van Moppes en Bloeme. Daar schrijft Bloeme ook over in haar autobiografie. Maar het is ook af te leiden uit de openbare archieven. Op 21 december 1941 doet Alfred van Moppes, 17 jaar, aangifte van de diefstal van zijn fiets, rijwiel staat er in de aangifte. De scholier Alfred van Moppes woonde met zijn ouders in de Rijnstraat. De fiets is ontvreemd uit de portiek van het perceel Lutmastraat 194; een zijstraat van de Van Woustraat. Daar woonde het gezin Emanuel Emden, met Bloeme dus. Het was aan de ouders van Fred dat de ouders van Bloeme enige spullen, foto’s, verzilverd bestek en een paar kristallen koekdozen, in bewaring gaven.[2] Onmiddellijk na terugkeer in Amsterdam, trok Bloeme naar het gezin Van Moppes in de Rijnstraat.

In 1950 trouwde ze met Hans; in 1957 gingen ze wonen in een nieuwbouwhuis in de Bakhuizen van den Brinkhof 36 in Amsterdam-Nieuw West, grenzend aan de groene omzoming van de Sloterplas. Uiteindelijk zouden Bloeme en Hans zes kinderen krijgen. Raph, Via, Sem, Naomi, Benjamin en Dani. Niet alleen Raph werd rabbijn, ook Via trouwde met een echtgenoot die rabbijn zou worden. En ook voor Dani en Benjamin geldt dat ze zich meer dan grondig in het Jodendom hebben verdiept.

Wat zou er van Sem zijn geworden? Misschien ook rabbijn? Op weg naar het ochtendminjan van school, Maimonides, werd hij gegrepen door een automobilist en overleed, 17 jaar oud. Alhoewel ik nog maar heel jong was, kan ik me Sem z.l. wel herinneren. Hij was madriech op Bne Akiwa. Een leider, dus nadrukkelijk aanwezig, maar ook één en al zachtaardigheid.

III

Dat was niet mijn eerste kennismaking met de familie Evers. Die was in Rotterdam, waar ik vandaan kom. Mijn ouders hadden vrienden, ook met kinderen in de leeftijd van mij en mijn twee jaar oudere zus. We kwamen er vaak. Ik moet een jaar of 6-7 zijn geweest. Er waren twee jongetjes uit Amsterdam, met hun ouders op bezoek. Jongetjes met van die ijzeren brilmontuurtjes. In haar autobiografie staat een foto uit 1973; twee jongetjes met die brilletjes.

Waarschijnlijk uit verveling of uit geldingsdrang besloot ik moppen te gaan vertellen, Belgenmoppen. Moppen die al in de eerste zin het woord Belg, of Belgen, bevatten. Ik had de eerste zin van mijn eerste mop nog niet uitgesproken of het bijdehandste jongetje zei vanachter zijn metalen brilletje:

Dat kun je niet zeggen.

Ik keek verbaasd, had toch nauwelijks iets gezegd. Alleen zoiets als: zegt de ene Belg tegen de andere Belg … Waarop hij verder ging:

Je moet hem zo vertellen: zegt de ene niet-snuggere persoon tegen de andere niet-snuggere persoon … .

Waarop de tweede bijgoochem aanvulde:

Ja, want er zijn snuggere en niet-snuggere mensen en je kunt niet beweren dat alle Belgen niet-snugger zijn.

Die twee jongetjes waren Benjamin, toen denk ik negen jaar oud, en Dani, net zo oud als ik, dus zeven jaar oud, die met hun ouders Hans en Bloeme Evers, naar Rotterdam waren gekomen. Later, in mijn werk, zou ik heel veel en heel intens met Raph samenwerken. Ook bij hem ervoer ik die zachtaardigheid en die tolerantie. En, om in het kader van Bloeme’s jaartijd te blijven, een onbeperkte Kieboed Eem, de eerbied die Raph betoonde aan zijn moeder.

Met haar man plaatste Bloeme als boodschap in hun Rosj Hasjana-advertentie de tekst: liberox en orthoraal chag sameach allemaal. Het was Bloeme ten voeten uit. Zelf bewust religieus levend bleef ze open staan voor andere opvattingen en andere levensstijlen. Dit heeft zij ook in haar kinderen, hun kinderen uiteraard, geplant en dit was ook de sfeer die zij in Sjoel West wist te creëren en te behouden.

Waar kwam dit vandaan, die verdraagzaamheid, die tolerantie? In haar autobiografie uit 2012, dus vier jaar voor haar overlijden, schrijft Bloeme:

Ik ben mijn ouders mijn leven lang dankbaar geweest voor de verdraagzaamheid, de tolerantie, die zij in mijn wezen hebben geplant.

Op de vraag wat hij van zijn moeder heeft geleerd, antwoordde zoon Raph in een vraaggesprek met het Nieuw Israëlietisch weekblad ter gelegenheid van Bloeme”s negentigste verjaardag, wat achteraf kort voor haar overlijden bleek te zijn

Wat ik van mijn moeder heb geleerd? Eerlijk te zijn, dicht bij jezelf te blijven en ondanks alle vroomheid vooral mens te blijven en principieel te zijn.

In 1986 was Bloeme een van de sprekers bij een symposium van het OJEC – Overlegorgaan van Joden en Christenen, dat mede door Hans Evers was opgericht[3]. Over haar verblijf, gevangenschap, in Auschwitz gevraagd, maar waarschijnlijk ook haar tijd in Liebau daarbij betrekkend, zei Bloeme:

Ik sta hier omdat ik ondanks alles een onverwoestbaar vertrouwen heb in de mens. Daar heb ik behalve de kant van de demonen ook de goedheid van de mens gezien.[4]

In 2008 zei ze daarover

Al was je voor de Duitsers een Sau-Jude die slechts een nummer was, ingekrast in je arm, onderling bleven we beleefd tegen elkaar, we noemden elke dag de dag en de datum. In onze barak in het werkkamp bestond geen onderlinge diefstal, hoezeer de honger ook knaagde. In mijn groep probeerden we de hoop vast te houden door veel over “straks” te fantaseren én elkaar zoveel mogelijk bij te staan.[5]

Een paar jaar later werd ik bevriend met Benjamin. Hij was een van de twee vriendjes die ik mocht uitnodigen om te komen logeren op de sjabbat van mijn bar mitswa.

Wat ik toen niet wist, en mijn ouders ook niet, was dat Bloeme vanuit Auschwitz in Liebau terecht was gekomen. Daar moest ze werken in een fabriek. Liebau is een plaatsje in Silezië, op een paar kilometer van de Tsjechische grensstad Žacléř.

Op 27 oktober 1944 bracht een trein 51 Joodse Nederlandse vrouwen, waaronder de toen 18-jarige Bloeme en circa driehonderd andere Joodse vrouwen ùit Auschwitz naar Liebau, waar een vrouwenwerkkamp was opgezet. Voor Bloeme en vrijwel alle Nederlandse vrouwen uit dit transport werd het de weg naar leven, en uiteindelijk de bevrijding. In Liebau heeft Bloeme waarschijnlijk voor het eerst Chanoeka gevierd. Een van de vrouwen, Annie Cohen, had een Chanoekia (menora) in elkaar gezet, gefabriceerd van ijzerdraad dat ze onder haar jurk uit de fabriek had meegenomen. De olie had ze uit de machine getapt en meegesmokkeld. Zo kon ze de menora aansteken. De Volkskrant schreef over de 51 vrouwen in Liebau op 1 mei 2026 een lang reconstructie-artikel omdat een historicus, Kelvin Wilson, er een boek over schrijft.

Er bleken ook jonge Nederlandse mannen tewerk te zijn gesteld, die daar moesten werken in het kader van de Arbeitseinzatz. De mannen werden aanzienlijk beter behandeld dan de groep Joodse vrouwen en waren bereid iets van hun bevoorrechte positie, in de vorm van voedsel, met de vrouwen te delen. Ons adres in een straat met tien huizen, stond op de uitnodigingskaart voor mijn bar mitswa. De ene jongen die ik uitnodigde om te komen logeren was Benjamin Evers. Zijn moeder, Bloeme dus, zag de uitnodiging en het adres en wat bleek, wij woonden naast een van die ‘Hollandse jongens’ waarmee Bloeme in Libau was geweest. Ze had bijna 40 jaar later, blijkbaar goede herinneringen aan hem. Benjamin is daar op vrijdagmiddag voor sjabbat naartoe gegaan om onze buurman, te spreken en ik neem aan, de groeten van zijn moeder te doen.

Veel vertelde Bloeme over haar oorlogservaringen niet aan haar kinderen. Misschien daarom stuurde ze Benjamin naar mijn buurman. Bloeme zei in een interview bij de verschijning van haar autobiografie Als een pluisje in de wind, tegen Trouw-verslaggever Nynke Sietsma:

Ik wilde het wel vertellen aan de kinderen, maar dan begon ik zo vreselijk te huilen. En er valt genoeg over te lezen. Maar als je eigen moeder zoiets vertelt, is dat toch iets anders. Er is niet voor niets een ’tweede generatie’. De kinderen werden er echter hoe dan ook mee geconfronteerd. Alleen al vanwege het nummer op mijn arm.

IV

In mijn middelbareschooltijd werd ik over sjabbat bij Benjamin en Dani, en dus bij Hans en Bloeme uitgenodigd. Bloeme gaf aan tafel een dewar Tora over de parasja van de week en deed dat aan de hand van een verklaring van Nechama Leibowitz. Uiteraard. Een vrouw die Tora leerde en de verklaringen ervan uitgaf, en een Zionistische vrouw ook nog.

Op Bloeme’s feminisme is op allerlei andere plaatsen al ingegaan, niet in het minst door Bloeme zelf. In 2000 was er de derde conferentie over Joodse orthodoxie en feminisme, in New York, met 1.500 deelnemers. Daar was Bloeme bij met een Nederlandse delegatie. Terugkijkend zei ze daarover:

Wij, de Nederlandse delegatie voelden ons opgeladen na deze conferentie. We hebben veel gehoord dat tot nadenken stemt en gaan moedig voorwaarts om door sterker bewustzijn te kweken ons geliefde Jodendom wat vrouwvriendelijker te maken.

Dat kon op veel weerstand rekenen. Maar Bloeme zette onverdroten door. Naar aanleiding van het al dan niet mogen lajenen door vrouwen concludeerde ze eens dat Heinrich Heine eens gezegd heeft [of aan hem is toegeschreven]: Als de wereld vergaat reis ik naar Holland, want daar gebeurt alles 50 jaar later.” Waarop Bloeme toevoegde

En bij de Joods-orthodoxe gemeenten gebeurt alles nog eens 50 jaar later.[6]

Nechama Leibowitz spreekt over de Para Adoema, de Rode Koe, waarover we in de parasja van vandaag hebben gelezen. De Rode Koe, waarvan als het dier is geslacht en het vlees ervan is verbrand, de as overblijft. Die as kan de onreine rein maken. Er zijn veel verklaringen hoe we het Para Adoema-proces moeten begrijpen. Eén ervan is van de Talmoedische wijze Rabbi Jochanan ben Zakkai. Het is ook treffend om de woorden van deze geleerde aan te halen want de naam van Bloeme’s man Hans was ook Jochanan. Hans overleed op 12 december 1991. Voor ze de woorden van Rabbi Jochanan ben Zakkai aanhaalt zegt Nechama Leibowitz: zijn woorden zijn zeer leerzaam voor ons vandaag.

Geheel in lijn met de modus operandi van Nechama Leibowitz, verplaatste Bloeme dan de focus van de boodschap uit het boek naar het gesprek aan tafel. Daar entameerde zij een intensieve discussie door in de lijn van Leibowitz vragen te stellen over het door haar, door Bloeme dus, aan het gezelschap geleerde en iedereen aan tafel uit te dagen daar zelf een reflectie op te geven.

V

Bloeme Evers heeft Amsterdam zien veranderen, zoals ook haar eigen leven drastisch zou veranderen. De tragische dood van zoon Sem zou naast haar eigen oorlogservaringen een tweede rode draad in haar leven worden. Zoon Raph zegt in de documentaire Bloeme’s raadsel van Erga Netz, die op 14 december 2017, dus anderhalf jaar na haar overlijden is uitgezonden:

Dat Sem overleed, was een trigger waardoor ze het hele rouwproces van de Tweede Wereldoorlog kon beginnen. Het overlijden van een kind is het ergste wat je kan gebeuren. Het was ook een aanleiding. Want het hele rouwen van de Tweede Wereldoorlog was door de noodzaak om daarna, na de oorlog, meteen weer op te bouwen, we moeten sterk zijn, we moeten flink zijn, geen tijd kreeg, kreeg het geen gelegenheid om tot uiting te komen, … het rouwproces over haar verloren familie begon eigenlijk toen pas.

Een derde rode draad werd de groei en opbloei van haar nageslacht waaraan ze, vooral gezien haar eigen geschiedenis, zo’n intens genot en misschien ook wel kracht ontleende.

Voor de gemeenschap zette Bloeme zich vol vuur in. Eerst met haar man en kinderen en na zijn dood en na het vertrek naar elders van de kinderen, was zij de moeder van Sjoel West in Amsterdam, waar als gevleugelde uitdrukking aan de wand de uitspraak van haar man Hans is te lezen:

Als alles is verpest, is er altijd nog Sjoeltje West.

Bloeme Evers-Emden, Sjoel West, Vasco da Gamastraat, 1988 uit: Verzonken Heimwee, documentaire 40 jaar Israel, Constant Vecht, Jael Koren

 

Over haar drijfveer om zich zo voor de gemeenschap in te zetten zei Bloeme Evers op de eerdergenoemde OJEC-bijeenkomst in 1986 over de vraag waar God was in Auschwitz

Ik geloof in het Joodse volk dat in stand is gebleven vooral dankzij de dienst aan de Ene, onzichtbare God. Ik wil het voortbestaan van dit volk blijven steunen, misschien dankzij, misschien ondanks God. Ik wil me in dienst stellen van dat volk om het mee te helpen voort te bestaan. Aan dit ideaal wijd ik mijn leven.[7]

“Aan dit ideaal wijd ik mijn leven.”

Crescas, waar Bloeme lessen Jodendom gaf, hield in april 2024 een bijeenkomst over Bloeme. In de aankondiging werd ze getypeerd als: gedreven Joods.

De uitdrukking die Bloeme gebruikte

het Joodse volk dat in stand is gebleven vooral dankzij de dienst aan de Ene, onzichtbare God

zou heel goed door haar ontleend kunnen zijn aan een passage uit het boek Van Adam tot Ezra, een geschiedenisboek uit 1955 dat de Tenach-verhalen beschrijft maar waar de auteur, de arts David Hausdorff, en passant ook een moraliserend karakter in heeft vervlochten.

Hausdorff, schrijvend betrekkelijk kort na de Tweede Wereldoorlog, na de Shoa, na Auschwitz, dus na datgene waar Bloeme in 1986 bij de OJEC-bijeenkomst op reflecteert, schreef

het Joodse volk dat een bijzondere taak te vervullen had: het dienen van de Ene, Onzichtbare God, waarbij assimilatie aan [dit is: het opgaan in] het heidendom van de omringende volkeren zo krachtig mogelijk moest worden bestreden. Maar, schrijft Hausdorff, het was niet gemakkelijk de onjoodse gedachten die zoveel jaren … gepropageerd waren en waarmee de opgroeiende jeugd vertrouwd was geraakt, weer uit te roeien. Velen wisten nauwelijks van Gods geboden iets af’[8]

Het is precies daaraan waar Bloeme haar leven had besloten te wijden. Hausdorff beschrijft weliswaar de situatie in de tijd van de profeet Jirmijahoe, maar misschien zit in de keuze welke Tenach-verhalen Hausdorff opnam in zijn boek Van Adam tot Ezra, ook wel een spiegel voor de lezers van zijn boek. Ongetwijfeld is Bloeme zo’n lezer geweest.

VI

Bloeme zag haar leven veranderen.  Op 38-jarige leeftijd besloot ze alsnog om te gaan studeren, psychologie, om daarin ook als onderzoeker werkzaam te geraken nadat ze in 1973 haar doctoraal had behaald. Zoon Raph in een interview voor Bloeme’s negentigste verjaardag kenschetst haar als moeder en als psycholoog:

Ze vraagt altijd naar emotie, wat voor een intellectueel niet altijd even makkelijk is. Ze wil weten wat er achter al dat intellect leeft.

Op 63-jarige leeftijd promoveerde ze. Hoe ze dat deed, erin slaagde om haar doctoraal te halen, met een gezin met zes opgroeiende kinderen, was voor het damesweekblad Margriet in 1973 reden om haar te interviewen.

Bloeme Evers heeft voor vrouwen die denken over een universitaire studie maar één advies: doen, vooral doen! Noodzakelijk echter acht ze de volgende zaken: een redelijke gezondheid, wat onverstoorbaarheid en een goed huwelijk. Het laatste legt ze uit: „Als je in beslaggenomen wordt door problemen of angsten, dan kun je je niet concentreren. Je hebt een partner nodig die je stimuleert en aanmoedigt en dat heeft mijn man gedaan. Hij mag echt wel een extra pluim hebben. Veel mannen zouden hun vrouw zo’n studie niet gunnen. In onze [Nederlandse] cultuur kunnen een heleboel mannen de gedachte niet verdragen dat hun vrouw een titel heeft en zij niet.

Ze werd religieuzer, maar nooit fanatisch in haar geloof. Velen zochten haar op en vonden in haar een religieuze lerares, maar een die daarin volstrekt tolerant was. Bloeme gaf cursussen voor Joden met heel weinig Joodse kennis en voor mensen met een niet-Joodse moeder. Dit deed ze thuis, privé en op een gegeven moment ook voor Crescas, thuis. Crescas-directeur Michel Waterman zei daarover tegen het NIW, in 2016

Bloeme levert maatwerk, verliest de mens die ze voor zich heeft nooit uit het oog, vandaar dat de cursisten haar op handen dragen.

Daphnée Chouchena, Crescas-cursiste

Mijn hart springt altijd op als ik haar zie, ook vanwege haar natuurlijke, vanzelfsprekende manier van doen. Zij weet als geen ander een enorme scherpte te combineren met een grote warmte.

Over religie op zich deed Bloeme een interessante uitspraak.

Wellicht is godsdienst wel het enige wat een mens werkelijk van een dier onderscheidt. Ik zeg dat niet als grapje: men ontdekt steeds meer capaciteiten bij dieren waarvan men tevoren dacht dat alleen mensen die bezaten, zoals vormen van communicatie en werktuiggebruik.[9]

Op 4 juli 2016 staat er een interview met Erwin Brugmans in het NIW, dus, naar wat later zou blijken, twee weken voor het overlijden van Bloeme. Erwin kwam in 1986 in de Paramaribostraat wonen.

Samen met haar man heeft zij mij opgevangen, omdat ik zoekende was naar mijn geloof en afkomst. Ik ben daarin niet de enige. Veel mensen die zoekende zijn, die terug naar hun Joodse roots willen, vinden bij Bloeme een luisterend oor. Bloeme besefte wat het jodendom voor mij kon betekenen.

Terwijl mensen zelf meenden op zoek te zijn naar Jodendom en Joodse kennis en daarvoor bij Bloeme aanklopten, geeft Erwin Brugmans aan dat Bloeme, intuïtief of gecombineerd met haar levenservaring en als geschoold psycholoog, het omdraaide:

Voor mijn gevoel vertaalde Bloeme het Jodendom op een manier die overeenkwam met wat ik had meegekregen vanuit het socialisme. Zo legde zij mij het Jodendom uit, zo kon ik het Jodendom goed een plaats geven.

Ik heb Erwin Brugmans geïnterviewd voor mijn boek Niet gemakkelijk iets te bereiken in Amsterdam West.

Een beeldspraak die zij mij beiden, zowel Hans als Bloeme, voorlegden was de rugzak. Het Jodendom is als een rugzak. Kies een rugzak, kijk of hij lekker zit, lekker voelt als je hem omhangt. Kijk of het Jodendom je lekker zit, of het lekker voelt met jouw levensstijl. Dan doe je er een steen in, je eerste Joodse boeken. Loop je lekker met die steen in je rugzak? Doe er dan een tweede steen in en kijk of je nog steeds rechtop loopt; dat is de sjabbat of een ander vast Joods thema. Stop er nog een steen in, en is die steen je te zwaar, haal hem er dan weer uit, leg hem naast je neer en probeer het later nog eens. Ga zo door totdat je de juiste ballast hebt. Dat is dan jouw Jodendom.[10]

Rabbijn Raphael Evers met zijn moeder Bloeme in Sjoel West, 2015

In 1995 leerde Annemieke Raatsie Bloeme Evers kennen tijdens haar werk als opnameleider bij een tv-programma waar Bloeme met haar zoon rabbijn Raph Evers in de uitzending te gast waren. Ze raakten aan de praat en Annemieke maakte aan Bloeme duidelijk ook Joods te zijn. Bloeme gaf haar telefoonnummer en stelde voor elkaar nog eens te ontmoeten. Wat uit zou groeien tot een voor Raatsie heel bijzondere relatie en vriendschap. Meer dan twintig jaar lang kwam Raatsie om de week met een groep op vrijdagochtend bij Bloeme thuis om met haar te leren. Enigszins aangepast qua stijl, maar inhoudelijk hetzelfde als bij Erwin Brugmans kreeg Annemieke Raatsie dezelfde boodschap over hoe het Jodendom tot het jouwe te maken als Erwin zo’n tien jaar eerder had gekregen.

 

“Annemieke”, zei ze, “het Jodendom is als een bord vol eten. Ik eet er als orthodoxe vrouw veel van en jij iets minder. Dat is niet slecht, het maakt mij geen beter mens en jou niet slechter. Het gaat om wat je past, dát is belangrijk. En de ene keer neem je wat meer en de andere keer wat minder.”[11]

In 2011 verbood de Tweede Kamer het onbedwelmd slachten volgens religieuze riten – alsof er onbedwelmd slachten bestaat, niet volgens religieuze riten. Maar dat terzijde. Die 28 juni 2011 zat Bloeme aan tafel bij het praatprogramma Knevel en Van den Brink. Ze was inmiddels 85 jaar. Andere tafelgasten waren onder meer Wilfried Genee en Johan Derksen. Derksen mocht op zijn manier reageren op waarom Bloeme het zo erg vond dat kosjer slachten zou worden verboden (De Eerste Kamer zette trouwens een streep door het Tweede Kamer-besluit.) Als je het fragment terugkijkt, zie je dat Bloeme de beroepsbullebak Derksen zo goed van repliek dient dat hij moet inbinden en zich gedwongen ziet om terug te komen op zijn woorden dat Bloeme zou hebben gesproken van een hetze en ook hem aanvalt op zijn woorden ‘mevrouw heeft een trauma van het concentratiekamp’.

VII

Haar kleinzoon Jechiel, een van de slechts drie kleinkinderen die in Nederland wonen, zei bij Bloeme’s negentigste verjaardag in het NIW:

ik heb bij mijn oma nooit enige vorm van rancune bespeurd.

Respect voor andersdenkenden en tolerantie naar degenen met een andere opvatting, moest zij gaandeweg haar leven inperken. Want als het om antisemitisme en de onterechte of exclusieve kritiek op Israel ging, moest Bloeme een grens trekken. Feilloos wist zij te herkennen als kritiek op Israel de grens van antisemitisme overschreed. Toen ik tien jaar geleden haar In Memoriam schreef, onmiddellijk na haar overlijden, concludeerde ik dat Bloeme haar respect voor andersdenkenden en tolerantie naar degenen met een andere opvatting gaandeweg haar leven, – vooral in de laatste decennia, moest inperken. ‘Vooral in de laatste decennia’, schreef ik. Wat is ‘de laatste decennia’ voor iemand die in 2016 overleed? 2006, 1996, …? Nee, het was een al veel langer voortgaand iets. Dit blijkt uit een interview dat Bloeme gaf in 1982, dus al zo’n 35 jaar voor haar overlijden.

In 1982 ontbrandde de Libanonoorlog, wat de eerste Libanonoorlog zou worden. Het weekblad Vrij Nederland bevroeg een aantal Joodse Nederlanders waaronder mr. Abel Hertzberg, advocaat, Sjoa-overlevende van Bergen-Belsen, veelbekroond schrijver, voor- en naoorlogs Zionist en kritisch, steeds kritischer Zionist.[12]

In hetzelfde artikel komen nog een aantal Nederlandse Joden aan het woord, als laatste Bloeme Evers-Emden, inmiddels psychologe. De interviewer is Vrij Nederland-verslaggever Max van Weezel, zelf ook Joods. In 1998, achttien jaar later, kozen hij en zijn vrouw Anet Bleich de Sjoel West van Bloeme Evers uit om er de bat mitswa van hun dochter Natascha te vieren.

Van Weezel: Ze heeft een antwoord klaar op al mijn vragen.

‘Onder de doorkijkblouse van de selectieve verontwaardiging,’ formuleert zij geroutineerd, ‘huist de wolf van het antisemitisme. De Nederlanders hebben een schuldcomplex over de oorlog. Er zijn zoveel joden weggevoerd. Er hebben zo weinig Nederlanders [ons] geholpen. Dat schuldgevoel leidt nu tot antisemitisme. Als je de jood nu weer kunt aanwijzen als de slechtaard, als degene die niet deugt, als je Israël en de joden weer van alles de schuld kan geven, kun je rustig de conclusie trekken: we hebben er goed aan gedaan hen niet te redden. Ze deugen toch niet.’

De doorkijkblouse kwam in de mode vanaf eind jaren ’60 en verdween er na een jaar of tien-vijftien weer uit.

Een maand later, in het septembernummer van het mede door Bloeme, samen met onder meer dr. Henriëtte Boas en Fia de Vries Robbé-Polak opgerichte blad Kolénoe voor de bewust Joodse vrouw (Bloeme was in 1978 mede-oprichter en daarna vijftien jaar lang de voorzitter van de Joodse vrouwengroep Deborah), lezen we:

Het antisemitisme, gehuld in de doorkijkblouse van het anti-zionisme, vervult de joodse vrouw niet meer van angst maar met woede en ze is niet meer weerloos maar strijdbaar en ze slaat terug.

Geen angst maar woede; niet meer weerloos maar strijdbaar. Het past naadloos in wat we in het slot van het Vrij Nederland-interview met Bloeme zullen lezen.

Later, in 2001, dus bijna twintig jaar na haar interview in Vrij Nederland, zien we de doorkijkblouse-metafoor opnieuw als Bloeme zegt:

In Nederland is een toenemend antisemitisme te bespeuren. Het antisemitisme hier is voor het eerst sinds 1945 weer maatschappelijk geaccepteerd en wordt zeer gesteund en bevorderd door de media via gekleurde en partijdige berichtgeving. Antisemitisme vooral onder de doorkijkblouse van het anti-Israëlisme.

Het is te lezen in een artikel in Trouw van 7 november 2001, twee maanden na 9/11, dat een verharding had veroorzaakt in de houding van islamitische bewoners van de buurt rondom sjoel West, en ook elders in de stad en in het algemeen in Nederland en de westerse wereld. Daarmee werd Bloeme nadrukkelijk geconfronteerd. De incidenten rondom sjoel West heb ik beschreven in mijn boek over het Joodse leven in Amsterdam West en zijn ontleend aan de antisemitisme-registraties van het CIDI over de buurt uit die jaren.

Die woede – het antisemitisme vervult de Joodse vrouw niet meer van angst maar met woede – is misschien door te trekken naar een andere uitspraak van Bloeme, waar dat element van woede ook voorkomt. In 2008 zei Bloeme, toen ze bij een bijeenkomst sprak over haar onderzoek naar de emoties van onderduikkinderen en hun onderduikouders[13]:

Wat de Duitsers ons hebben aangedaan vervult mij persoonlijk nog steeds met een intense woede. Hoe kon het gebeuren dat wij zo machteloos werden gemaakt, vernederd, beschimpt, bestolen en beroofd, gevangengenomen en uiteindelijk vermoord.

Terug naar het interview van Max van Weezel met Bloeme Evers-Emden in Vrij Nederland in 1982.

Van Weezel:

Die bombardementen op Beiroet zijn niet door antisemieten verzonnen. Die zijn echt.

[Hierop horen we Bloeme, sprekend met haar menselijkheid, dat humanisme, dat afwijzen van alle Belgen zijn dom, om het voorbeeld aan te halen waarmee ze haar kinderen had opgevoed.]

Van Weezel schrijft:

Ze zwijgt. Zegt dan: Het vreet aan me. Het vreet aan me.

[Vervolgens maakt ze een andere afslag.]

Maar we staan met de rug tegen de muur. We hebben alleen dat kleine stukje land. We hebben het gelijk van degene die vecht voor zijn leven.

Die heeft automatisch gelijk?, vraagt Van Weezel. Waarop Bloeme emotioneel wordt.

Als Israël één oorlog verliest, is het afgelopen met Israël. Israël kan zich nooit veroorloven één oorlog te verliezen.’ Ze begint zacht te huilen, daarna harder: ‘De gebogen, bleke, bange jood bestaat niet meer. Nu zijn we ons zelf. In 1945 kwam ik uit Auschwitz. In 1948 toen Israël werd opgericht werd mijn rug pas weer recht. Eindelijk na twintig eeuwen waren we niet meer het slachtoffer. Andere mensen kenden de joden alleen als slachtoffer. Die jood bestaat niet meer. De wereld heeft grote moeite met het aanvaarden van strijdbare joden.

Geen angst maar woede, niet meer weerloos maar strijdbaar, precies zoals in het Kolénoe-stuk.

Waarop Max van Weezel nog één vraag aan Bloeme stelt:

En daarmee kun je alles rechtvaardigen?

Bloeme Evers, zacht:

Alles is beter dan dat ze twee minuten stilte voor je houden. ■

Bloeme Evers overleed op 90-jarige leeftijd, met achterlating van een bijzonder gedachtengoed, een mengeling van gevormd-zijn door de Sjoa, diepe religiositeit, een voortdurende verkenning van de religieuze grenzen binnen het Jodendom vooral waar het de rol van de vrouw betreft, een bijna onbegrensde tolerantie maar ook een felheid en verbetenheid als het om Israel en de continuïteit van het Joodse volk ging – daaraan, aan de continuïteit van het Joodse volk, wijdde Bloeme Evers-Emden haar leven.

Bloeme Evers-Emden laat naast een groot nageslacht ook veel leerlingen en leringen na. Dat haar leringen hen op hun levenspad zullen begeleiden en zij daarmee de betekenis die Bloeme heeft gehad voortzetten en haar bijzondere gedachtengoed verder uitdragen.

Zelf is zij naar een hoger oord geroepen, en in Israel heeft zij haar rustplaats gekregen.

תהי זכרה ברוכה tehi zichra b’roecha       Moge haar aandenken tot zegen zijn; zeker in haar Sjoel West.

 

[1] Misjlee – Spreuken 1:8

[2] Als een pluisje in de wind, p. 62

[3] Hans Evers had een Joodse moeder en een niet-Joodse, christelijke, vader. Hij heeft in een tv-documentaire (Verzonken Heimwee, Constant Vecht en Yael Koren, 1988) verteld dat hij in zijn jonge jaren zowel lessen volgde bij een dominee als bij opperrabbijn Philip Frank – het gezin woonde in Haarlem. Mogelijk dat dit voor hem een rol heeft gespeeld om het OJEC mede op te richten. Ook haalde hij in de tv-documentaire herinneringen op aan de sjoeldienst waar Hans bij was geweest op Jom Kippoer 1942. Opperrabbijn Frank hield een toespraak. Frank en de aanwezigen in de synagoge konden hun tranen niet bedwingen. Kennelijk ging hij toen dus naar sjoel. Hans was toen 17 jaar.

[4] Nieuw Israëlietisch Weekblad, 23 mei 1986

[5] Bloeme Evers-Emden, tekst van een toespraak over eerste, tweede en derde generatie, Een andere kijk op de gevolgen van de oorlog voor Joden, 2008

[6] Bloeme Evers-Emden, Over “Lajenen”: Het op de toontekens reciteren van de Torah, tekst van een voordracht, 2008

[7] ANP, Leeuwarder Courant, 7 mei 1986; Nieuw Israëlietisch Weekblad, 23 mei 1986

[8] D. Hausdorff, Van Adam tot Ezra, derde druk, 1974, p. 200

[9] Een God voor volwassenen, Bloeme Evers-Emden, 2008 [tekst van een voordracht]

[10] Erwin Brugmans, 27 feb. 2020

[11] Sarah Bremer, Het favoriete object van Annemieke Raatsie, in: Joods Nu, tijdschrift voor progressief Joods Nederland, jrg. 11-2, september 2025/tisjrie 5786, p. 49

[12] Vrij Nederland, 7 augustus 1982

[13] Bloeme Evers-Emden, tekst van een toespraak over eerste, tweede en derde generatie, Een andere kijk op de gevolgen van de oorlog voor Joden, 2008