RubenVis

Ruben Vis

De Eeuwige regere voor altijd en eeuwig. Ook in Amsterdam West.

Als ik aan de bel trek hoor ik in de gang op weg naar de voordeur iemand op de wijs van Adon Olam zingen dat hij eraan komt en dat de sjoeldienst zo gaat beginnen. Ik ben in sjoel West, met minder dan 40 zitplaatsen de kleinste sjoel van Nederland.

Ruben Vis, 2019

De mechietsa zoals de Amos hanteert, waardoor de vrouwen zo dicht mogelijk bij de sjoeldienst zijn betrokken, lijkt op hoe het in Sjoel West ook al tientallen jaren is ingericht. Sjoel West, zo klein als het is, groot gemaakt door Bloeme Evers z.l.

Terwijl de stad op het ritme van de lentestralen ontwaakt, ben ik langs Amsterdamse School woonblokken naar de Mercatorpleinbuurt gelopen onderweg al vroeg geopende coffeeshops, gesloten kinderdagverblijven en niet te tellen aantallen fietsen passerend. In de Turkse bakkerij vlakbij de sjoel kijken koningin Beatrix en prins Claus vanaf een groot portret dat in de Raadszaal van een middelgrote gemeente niet zou hebben misstaan de klanten aan.

Ook al is er nog geen minjan, veel van het ochtendgebed gaat in Sjoel West hardop. Ieder komt aan de beurt om één van de elkaar opvolgende psalmen te lezen. Wie geen Hebreeuws kan, kijkt links in het gebedenboek en leest de Nederlandse psalmvertaling hardop voor. Ik luister en raak geïnspireerd door de vertaling die Dasberg heeft gemaakt. Dasberg noemde zichzelf een amateur maar zijn woordkeus is buitengewoon veelzijdig en zijn formulering prettig vloeiend.

De sjoel heeft moeite om minjan te krijgen. Al ruim drie maanden komen ze bij elkaar, de mannen en vrouwen van sjoel West, zonder dat de Torarol uit zijn kast kon worden gehaald. Ook vandaag wil het maar niet lukken. De Aron Hakodesj gaat niet open. De ba’al koré die op een klein uur afstand woont, behoudt zijn enthousiasme ondanks dat hij de parasja niet uit de Torarol maar uit een boek moet voorlezen.

We zijn al een flink stuk op streek wanneer de tiende man zijn hoofd om de deur steekt. Met ingetogen gejuich wordt hij binnengehaald. Straks bij de kiddoesj mag hij zijn koffie uit de Sjoel West-wisselbeker drinken.
Het boek gaat dicht, de Torarol komt uit zijn kast. Hij staat nog op het begin van Bereesjiet terwijl we inmiddels al halverwege het tweede Mozes-boek zijn. Dus dat wordt eerst even flink rollen. Nadat de parasja is gelajend, leest de tiende man vlot de haftara. Zijn aanwezigheid daarmee nog meer glans gevend.

Gauw door met het moesafgebed, het is inmiddels half één. Ik neem, op verzoek, het stokje over. (Dat heeft ook het voordeel dat ik het tempo kan bepalen zodat ik tenminste niet veel later dan om twee uur thuis ben.) In Sjoel West wordt veel meegezongen dus zet ik de bekende Hollandse Kedoesja-melodie in. Die kennen ze ook in West. Samen zingen we Kadosj, Baroech en Sjema. Bij Jimloch daarentegen houd ik stil, laat mijn negen Westse vrienden voor gaan en zal de zin die zij zongen herhalen. Ik luister hoe zij zingen en laat de sfeer die dat oproept op me inwerken. Hun samenzang geeft me een ervaring zoals wanneer de sneeuwklokjes in bloei staan en de eerste lentestralen je gezicht beschijnen. Jimloch klinkt het in het sjoeltje. De Eeuwige regere voor altijd en eeuwig. Ook in Amsterdam West. Meer dan drie maanden konden ze er Gds grootheid niet verkondigen maar dat heeft ze niet uit het veld doen slaan. Steeds zijn ze bij elkaar blijven komen ook al moest de Tora in zijn kast blijven. De lente begint dit jaar al midden februari. Ook in Amsterdam West is men de winter te boven gekomen. Ook in Amsterdam West regere de Eeuwige voor altijd en eeuwig.