RubenVis

Ruben Vis

Herdenken in Hilversum: gevangen genomen en met onmenselijk geweld weggevoerd

Geachte aanwezigen, bestuurders van de gemeente Hilversum, de Joodse Gemeente Hilversum, Hilversummers,

[Toespraak Ruben Vis bij de Jom Hasjoa-herdenking op de Joodse begraafplaats te Hilversum, 14 april 2026]

We zijn hier vandaag bijeen om de slachtoffers die de Holocaust, de Sjoa, heeft gemaakt in Hilversum, te gedenken. We noemen deze dag Jom Hasjoa, dag van vernietiging. De officiële naam is langer: Jom Hazikkaron Lesjoa veligvoeraJom Hazikkaron, dag van herdenken, herdenkingsdag dus. leSjoa de herdenkingsdag van de vernietiging. Dit duidt uiteraard op de vernietiging van het Jodendom, in Europa, in Nederland en vandaag herdenken we dit hier in Hilversum. En daaraan wordt dus toegevoegd: veligvoera, het is een dag dat we de vernietiging herdenken, maar ook de gevoera, het heldendom. Deze dag op de Joodse kalender verwijst naar de dag dat de Joden in het getto van Warschau in opstand kwamen tegen de nazi’s.

We gedenken de moord op de Joden en we gedenken het verzet dat is gepleegd. Zo’n verzetsman moet Nathan Dasberg zijn geweest. Dit blijkt eruit dat hij het onderduikadres verzorgde voor de dochter van Elias Beekman en diens vrouw Selma Fontijn [Nieuw Israëlietisch Weekblad, 16 november 1990]. Hun dochtertje was de toen driejarige Anna, Anneke Beekman, geboren in 1940. Haar onderduik, hier in Hilversum, zou na de oorlog uitgroeien tot de Affaire Anneke Beekman, het kind dat niet werd teruggegeven.

Hier, op deze plaats, de Joodse begraafplaats van Hilversum staat het monument dat de Joden van Hilversum, die schamele rest, hebben opgericht om hun verwanten, vrienden en kennissen, die niet terugkeerden uit de kampen, blijvend te gedenken.

De bevrijding van Hilversum was op 7 mei 1945. In september 1945, vijf maanden later, werd er bericht over Joods Hilversum [Nieuw Israëlietisch Weekblad, 21 september 1945].

In Hilversum zijn ongeveer 180 à 200 Joden aanwezig. Een klein getal vergeleken bij de bijna 2400 Joden, die van hier indertijd „geëvacueerd” werden. Van de oorspronkelijke Hilversummers zijn er wel heel weinig nog over.

Geëvacueerd. In het bericht staat het woord tussen aanhalingstekens. Joden moesten weg uit Hilversum. Ze moesten naar Amsterdam. Voor één keer mochten ze met de trein. Geëvacueerd, eufemistisch. Zoals het nazi-bureau dat de Jodentransporten organiseerde als naam had jüdische Auswanderung – Joodse emigratie. Het was geen emigratie. Het was, zoals op deze gedenksteen terecht staat gebeiteld: met onmenselijk geweld weggevoerd.

Mijn overgrootvader, Jacob Levy van Baren, was in deze Joodse Gemeente veertien jaar godsdienstonderwijzer, voorzanger en secretaris, na eerst 30 jaar als zodanig in Assen te hebben gefungeerd. Daarmee was hij de spil van het Joodse leven hier en de hoogste Joodse geestelijke in Hilversum. Hij bleef in functie tot eind 1934.

In de veertien jaar dat hij hier woonde, moet hij vele stappen op deze begraafplaats hebben gezet om leden van zijn gemeente naar hun laatste rustplaats te begeleiden en voor te gaan in de uitvaartdienst.

Mijn overgrootvader was in Hilversum lid van het comité Koninginnedag en Volksfeesten. Toen aan het einde van de zomer; nu is Koningsdag op 27 april, binnenkort dus. Een openlijker vorm van viering is niet denkbaar. Alleen al daarom is het des te triester dat deze herdenking hier vandaag in beslotenheid plaatsvindt. Zelfs het herdenken van hoe hiervandaan Hilversummers in het niets zijn opgegaan, kan niet openlijk worden herdacht.

Jacob Levy van Baren is hier niet begraven. Mijn overgrootvader heeft geen graf. Op 6 mei 1943 is hij geregistreerd in Westerbork. Zijn sterfdatum is 21 mei 1943, plaats: Sobibor. Hij werd 77 jaar.

Nu staan wij hier op de Joodse begraafplaats bij het monument dat in 1947 door de Joodse Gemeente is opgericht. Een gedenksteen voor de Joden, uit Hilversum en het gebied dat de Joodse Gemeente Hilversum omvatte, die, zo staat hier te lezen, in de jaren 1940-1945 ‘met onmenselijk geweld werden weggevoerd en geen graf hebben’.

De Hebreeuwse tekst en de Nederlandse tekst komen niet exact overeen. In het Hebreeuws staat er sjenisjboe: zij die gevangen werden genomen. In het Nederlands staat er: die met onmenselijk geweld werden weggevoerd.

Het lijkt erop dat in de Joodse context ervoor is gekozen de gevangenschap te benadrukken. Het tekent de isolatie van de Joden ten opzichte van hun niet-Joodse landgenoten.

In het Nederlands lijkt ervoor gekozen om de nadruk te leggen op het vanuit Nederland wegvoeren naar elders, naar de kampen van vernietiging – Sjoa. En dat ook nog eens ‘met onmenselijk geweld’, daarmee de daders, de nazi’s als de huiveringwekkende barbaren portretterend.

Waarschijnlijk is de tekst op dit monument geformuleerd door Nathan Dasberg, die voor en na de oorlog de godsdienstleraar van Hilversum was, opvolger van mijn overgrootvader. Het monument is onthuld in 1947. Nog geen jaar later verliet Dasberg met zijn vrouw en kinderen Hilversum en vestigde zich, slechts enkele maanden nadat het land onafhankelijk was geworden, in Israel.

Aan een Bijbelexegese van Nathan Dasberg ontleen ik een observatie die, zeker in zijn tijd, veelzeggend is. Dasberg schreef in december 1946, anderhalf jaar na de bevrijding en enkele maanden voor de onthulling van dit monument over het Bijbelverhaal van aartsvader Jacob die een nachtelijk gevecht voerde met een engel. Jacobs tegenstander wist hem niet te verslaan maar wist hem wel zodanig te treffen dat Jacob kreupel raakte en daarna hinkte. Als de dageraad zich aandient, eindigt het gevecht.

De engel verdwijnt, maar niet dan nadat hij Jacob heeft gezegd dat zijn naam niet langer Jacob zal zijn, maar Jisrael, Israel. Het is die naam die in de verdere Tora, in de Bijbel, aan de nakomelingen van Jacob wordt gegeven, waar zij mee worden genoemd: benee Jisrael, de kinderen van Israel.

In zijn uitleg transponeert Dasberg de gebeurtenis over het kreupel-worden van Jacob in het Bijbelboek naar de nakomelingen van Jacob, van Israel dus tot en met de tijd die Dasberg zelf meemaakte, en mee had gemaakt zo kort na de Sjoa.

Dasberg in 1946:

De tegenstander doet alles om ons ten onder te brengen. Ieder middel is al geprobeerd en onze geschiedenis is er vol van. Het is hem niet gelukt. Hij kan niet verder gaan, onze vijand, dan ons kreupel te maken. We hinken verder door het leven en gaan de beslissende ontmoeting tegemoet [Nieuw Israëlietisch Weekblad, 27 december 1946].

Zo schreef hij, kort na de vernietiging. Met zijn vrouw bestierde Nathan Dasberg in Hilversum een tehuis voor Joodse kinderen die het wel hadden overleefd. Maar waarvan de ouders bruut waren vermoord. De kinderen moesten kreupel hinkend verder gaan op weg naar volwassenheid.

Kranslegging door de bestuurders van de Joodse Gemeente Hilversum

Ik wil met u terugkomen op de Hebreeuwse tekst op dit gedenkteken: zij die gevangen werden genomen, sjenisjboe. Zoals ik zei: het tekent de isolatie van de Joden ten opzichte van hun niet-Joodse landgenoten.

Le histoire se répète is geen correcte uitdrukking. De geschiedenis herhaalt zich niet, niet exact. Ook niet wat de Sjoa betreft. Vergelijkingen van gebeurtenissen gaan niet op. Niet alleen dat Israel geen nazi-Duitsland is, zoals maar al te vaak op demonstraties wordt geuit, ook niet dat wat Nederlandse Joden nu meemaken niet 1940-1945 is, de jaartallen op dit monument, en ook niet de jaren ’30 toen anti-Joodse sentimenten in de samenleving waarneembaar waren; forse anti-Joodse sentimenten.

Nee de geschiedenis herhaalt zich niet 1 op 1. Maar ik heb de vlaggen hier in Hilversum zien wapperen. Laten we niet naïef zijn. Laten we heel, ja heel goed, beseffen dat Palestijnse vlaggen die hier in Nederland en ook in Hilversum sinds 7 oktober wapperden, niet de aspiratie op een eigen staat naast de Joodse staat Israel vertegenwoordigen. De Palestijnse droom is een staat in plaats van de staat Israel. Laten we aannemen en ervan uitgaan dat het besef daartoe niet voor iedereen geldt die achter deze vlaggen staat.

Zoals de Arabieren in 1947 de deling van het toenmalige Britse mandaatgebied niet hebben aanvaard, zo is nog steeds de boodschap glas en glashelder: from the river tot the sea. Al het gebied ten westen van de Jordaanrivier tot de kust van de Middellandse Zee; heel het Israëlische grondgebied.

Mark Rutte zei het tegen het einde van zijn premierschap bij de uitloop na een bijeenkomst in het Catshuis over antisemitisme voor de camera’s: het bestaansrecht van Israel ontkennen is antisemitisch.

In De Gooi- en Eemlander schreef Emma Kemp een jaar geleden dat het College van B&W niet langer achter kan blijven, niet langer zich niet kan uitspreken over Gaza [Gooi- en Eemlander, Hoog tijd dat het Hilversumse college zich óók uitspreekt tegen het geweld in Gaza, Emma Kemp, 16 juni 2025]. Dat kan het college van B&W wel; omdat Hilversum nog steeds niet in Gaza ligt. Tenminste, zolang Hilversum ook niet in Iran ligt, waar geen enkel Hilversums kind nog steeds niet de straat voor op is gegaan of gestuurd om te demonstreren. En trouwens ook niet voor de kinderen en kleinkinderen van Nathan Dasberg die in Israel wonen, levend onder de rakettenregens.

Of laten we het dichterbij huis houden: drie synagogen in Nederland en een Joodse school waren een maand geleden doelwit van een aanslag. Een school, waar kinderen naartoe gaan. Ik heb geen optocht gezien, niet in Amsterdam, niet in Rotterdam, niet in Hilversum.

Ik ben bestuurslid van het Overleg Joden Christenen Moslims, OJCM, een landelijk overleg. Na iedere aanval op een moskee sturen wij een bericht van sympathie. Dus ook vorige maand nog aan de moskee in Zaandam. Na iedere aanval op een moskee, hoe gering ook, stimuleer ik de Joodse Gemeente ter plaatse, voor zover überhaupt nodig, om een blijk van sympathie uit te doen gaan aan hun lokale belijders van ook een geloof, hun collega gebedshuis van de islam.

In het Coalitieakkoord van Hart voor Hilversum, VVD, GroenLinks en CDA dat in 2022 werd gesloten staat:

Hilversum is een stad voor iedereen. Ongeacht wat je gelooft, van wie je houdt, waar je vandaan komt of hoe je eruitziet: iedereen kan zich thuis voelen in Hilversum.

‘Iedereen kan zich thuis voelen in Hilversum’. Ik heb mijn twijfels of dat werkelijk zo is. Voor het Joodse kind of het kind dat uit Israel afkomstig met zijn ouders hier is komen wonen. Weg van het geweld, weg van de bommen vanuit Libanon op de Israëlische bevolking en misschien ook wel weg van een regering die steeds minder de hunne is.

Medeleerlingen die de kant van Hamas kiezen, openlijk. Een niet-Joodse ouder vertelde het mij, over de medeleerlingen van zijn kind op een gymnasium in Amersfoort. ‘Ik ben niet voor Hamas’, zei zijn kind tegen de docent. ‘Beter dat je niets zegt’, antwoordde de docent hem.

Medeleerlingen die zich, overigens niet onterecht, wel bekommeren om kinderen in Gaza, maar niet om kinderen in Israëlische schuilkelders, of kinderen in Iran.

Mijn betoog is geen politiek betoog, geen betoog tegen, maar een betoog voor. In een wereld, in dit land, in deze gemeente, waar Joodse of Israëlische kinderen hun identiteit moeten verbergen omdat ze anders geen leven hebben.

Leerlingen die van hun ouders ingeprent krijgen dat ze met de klas geen synagoge mogen bezoeken. Een ouder vertelde mij erover, een niet-joodse ouder, van een kind op een gymnasium in Almere.

Minister Van Weel van Justitie & Veiligheid, die in maart uit eigen beweging aan de Tweede Kamer vertelde dat er leerlingen zijn die niet mee mogen als de klas naar Kamp Westerbork gaat. Kamp Westerbork, de plek in Nederland waar de Hebreeuwse woorden op dit monument naar verwijzen: zij die gevangen werden genomen, sjenisjboe. Westerbork, de plaats waarheen de Hilversumse Joden werden gesleept.

Nee, de geschiedenis herhaalt zich niet, nooit 1 op 1. Maar laten we ons ook realiseren in welk klimaat de Joodse gemeenschap zich bevindt. We leven in een land van 18 miljoen inwoners, waaronder een stuk of 30.000 Joodse. Heel kleine kans dus dat je überhaupt in contact komt met iemand die Joods is. Toch is steevast in de racisme- en discriminatieregistraties het percentage antisemitische incidenten hoog, veel hoger dan het minuscule percentage Nederlanders dat zich als Joods identificeert. Bij het meeste antisemitisme komt dus helemaal geen Jood aan te pas. Daar is dus geen Joodse buurman of buurvrouw, geen Joodse collega op het werk of Joodse leerling in de klas.

Dat maakt het allemaal nog des te schokkender. Blijkbaar zit antisemitisme dieper ingebakken in de Nederlandse volksaard dan dat er daadwerkelijk Joden voor in iemands omgeving moeten zijn.

Ik ga terug met u naar die passage uit september 1945:

In Hilversum zijn ongeveer 180 à 200 Joden aanwezig. Een klein getal vergeleken bij de bijna 2400 Joden, die van hier indertijd „geëvacueerd” werden.

In Hilversum was met circa 2.500 Joden op een bevolking van circa 70.000 inwoners, 3,5 procent van de bevolking Joods. 3,5 procent, dat is in vergelijking met andere gemeenten, niet weinig. In Den Haag en Rotterdam lag het percentage lager, in Utrecht fors lager. Ook Hilversum heeft haar Joden laten gaan. Joden moesten weg uit Hilversum. Eerst de Duitse Joden, waarvan er 200 in mei 1942 naar Asterdorp in Amsterdam-Noord moesten, en tussen 15 en 19 juni 1942 moest de rest van de Hilversumse Joden naar Amsterdam. Zij die gevangen werden genomen, sjenisjboe.

In 2015 dienden de Raadsleden Arno Schepers en Edwin Göbbels, later allebei wethouder, een amendement in, dat unaniem werd aangenomen waarin erkend werd dat ‘eind jaren ’30 er een bloeiende Joodse gemeenschap in Hilversum was’, maar ook erkend werd ‘dat mede onder verantwoordelijkheid van het toenmalige gemeentebestuur deze gemeenschap vrijwel volledig uit Hilversum is gedeporteerd en dat daarom op het gemeentebestuur van Hilversum er een bijzondere morele verantwoordelijkheid rust’ [Gemeenteraad Hilversum, Amendement “Om nooit te vergeten”, A15/16, 24 juni 2015]. Eerst tien jaar later, in 2025, dus nu een jaar geleden, zei de burgemeester van Amsterdam: ‘De geschiedenis kan niet ongedaan worden gemaakt. Het falen van het stadsbestuur in het verleden kan niet ongedaan worden gemaakt.’ Daarop volgden woorden van excuus. Hilversum heeft die erkenning en dat morele besef ook geuit, tien jaar eerder al is met dit proces begonnen.

Philip Frank was opperrabbijn van Noord-Holland, dus ook van Hilversum. Philip Frank woonde inmiddels in Haarlem maar was van origine Hilversummer, daar was hij geboren, geworteld en opgegroeid. Zijn ouderlijk huis stond in de Spoorstraat 32. Geboren in Hilversum in 1910 is hij ongetwijfeld een leerling geweest van mijn overgrootvader. Philip Frank was de minimaal vijfde generatie van vader op zoon die in Hilversum was geboren. Zijn vader Herman Frank was in 1873 in Hilversum geboren; zijn grootvader Abraham Frank was in 1832 in Hilversum geboren; zijn overgrootvader Joseph Frank was in 1790 in Hilversum geboren. Zijn betovergrootvader Salomon Mozes Frank werd rond 1750 bijna 200 jaar voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in Hilversum geboren.

Met een passage uit een artikel dat opperrabbijn Frank schreef in oktober 1941 wil ik besluiten.

Twee weken daarvoor waren er maatregelen afgekondigd die een nieuwe stap betekenden in de isolatie van de Joden. Sinds 15 september 1941 werden er in heel Nederland borden geplaatst ‘Voor Joden verboden’ bij bibliotheken, restaurants, sportvelden, markten, leeszalen en musea. Ook moesten Joden vanaf dat moment toestemming vragen om van woonplaats te veranderen. Het zijn zeer ingrijpende maatregelen, maar men was nog onwetend van de nog verdergaande en uiteindelijk noodlottige maatregelen die zouden volgen. Ook was Philip Frank nog onbewust van zijn eigen noodlot: want opperrabbijn Frank zou als represaille in februari 1943 worden gearresteerd en gefusilleerd in de duinen van Bloemendaal.

Er spreekt ondanks de toen al akelige toestanden hoop uit de woorden die Frank formuleerde.

De opperrabbijn schreef op 3 oktober 1941:

“De gemeenschap gaat niet ten gronde”; het is een oud Joods gezegde. De Joodse gemeenschap doorstaat de stormen van eeuwen [Het Joodsche Weekblad, 3 oktober 1941].

Aldus de uit Hilversum afkomstige opperrabbijn Philip Frank.

Wij, die hier op de Joodse begraafplaats van Hilversum bijeen zijn gekomen, rondom het monument dat herinnert aan gevangenschap en wegvoering; wij herdenken hier de gevangenschap, de wegvoering, de vernietiging, de Sjoa, in de rotsvaste overtuiging dat de Joodse gemeenschap uiteindelijk de stormen der eeuwen doorstaat.

_ _ _ _ _ _